ECLI:NL:GHAMS:2009:BI6843
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over terbeschikkingstelling eigen woning bij uitzending naar Curaçao
Belanghebbende verhuisde in 2002 met zijn vrouw en dochter naar Curaçao vanwege werk, terwijl zijn twee zonen in de woning in Den Helder bleven wonen. De inspecteur stelde dat de woning na vertrek aan derden was ter beschikking gesteld, waardoor de eigenwoningregeling niet meer van toepassing was. De rechtbank vernietigde de aanslag en stelde het belastbaar inkomen vast op een lager bedrag, waarbij werd aangenomen dat de woning niet aan derden was ter beschikking gesteld.
In hoger beroep bevestigde het Hof dat de woning, ondanks het verblijf van de zonen en incidenteel bezoek van een vriendin van een zoon, niet aan derden was ter beschikking gesteld. De zonen behoorden niet meer tot het huishouden van belanghebbende, maar hun voortgezet gebruik van de woning veranderde de kwalificatie niet. De inspecteur kon niet aantonen dat de vriendin feitelijk beschikte over de woning.
Het Hof vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het belastbare inkomen te laag had vastgesteld en corrigeerde dit met de juiste persoonsgebonden aftrek. De aanslag werd vastgesteld op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.165. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 3.111, zesde lid, Wet IB 2001 in situaties van tijdelijke uitzending waarbij de woning niet aan derden is verhuurd of ter beschikking gesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en de aanslag vastgesteld op een belastbaar inkomen van € 78.165.