ECLI:NL:PHR:2012:BX9829
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijslast bij wederrechtelijke onttrekkingen aan nalatenschap kort voor overlijden
In deze cassatieprocedure gaat het om een geschil tussen dochters over geldopnames van de rekening van hun overleden moeder kort voor haar overlijden. De erflaatster woonde samen met een van de dochters, die tevens haar enig erfgenaam en executeur was. Deze dochter had in de weken voorafgaand aan het overlijden aanzienlijke bedragen van de bankrekening opgenomen.
De andere dochters vorderden betaling van een deel van deze gelden, stellende dat de opgenomen bedragen wederrechtelijk door hun zuster waren toeëigend. De rechtbank en het hof wezen de vorderingen af, omdat onvoldoende was gesteld dat de gedaagde zich de gelden had toegeëigend. De gedaagde voerde aan dat zij de gelden in opdracht van de erflaatster had opgenomen en contant in de woning had achtergelaten.
De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslast voor de eisers blijft bestaan om de toeëigening aan te tonen, ook al voert de gedaagde een zelfstandig en bevrijdend verweer dat zij de gelden aan de erflaatster heeft afgedragen. Dit volgt uit de aard van het geschil en de hoofdregel van bewijslastverdeling. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat de eisers geen begin van bewijs hebben geleverd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslast voor de toeëigening van gelden kort voor overlijden bij de eisers ligt en wijst het cassatieberoep af.