ECLI:NL:PHR:2012:BY1197
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing omgangsregeling biologische vader met niet-erkend kind wegens ontbreken nauwe persoonlijke betrekking
De man, biologische vader van een minderjarige zoon die niet door hem is erkend, verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank verklaarde hem ontvankelijk maar wees het verzoek af omdat partijen niet in staat waren samen te werken en omgang niet in het belang van het kind was. Het gerechtshof bekrachtigde deze beslissing en oordeelde dat de man geen bijkomende omstandigheden had gesteld die een nauwe persoonlijke betrekking met het kind aannemelijk maakten, zoals vereist onder art. 1:377a BW.
De Hoge Raad overwoog dat biologisch vaderschap op zichzelf onvoldoende is om een nauwe persoonlijke betrekking aan te nemen. De man had slechts eenzijdige handelingen en wilsuitingen gesteld, die niet leidden tot een gezinsleven met het kind. De Hoge Raad verwierp het beroep omdat het middel geen concrete rechtsregel schond en de motivering van het hof toereikend was.
Het belang van het kind staat voorop en het recht op omgang kan alleen worden toegekend als sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Pas dan kan worden beoordeeld of omgang ontzegd moet worden. De Hoge Raad bevestigde hiermee de strikte toepassing van art. 1:377a BW en het belang van het kind bij omgangsregelingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de biologische vader wordt verworpen wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking met het kind.