ECLI:NL:PHR:2012:BY4827
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging veroordeling wegens onjuiste uitleg bevoegdheid ambtenaren in APV Deventer
In deze zaak stond centraal of een bevel tot afstand houden, gegeven door politieambtenaren op grond van artikel 2.1.1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Deventer, krachtens wettelijk voorschrift was gedaan zoals vereist in artikel 184 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het hof had geoordeeld dat deze APV-bepaling een uitdrukkelijke bevoegdheid aan de ambtenaren verleende om een vordering te doen en veroordeelde verdachte voor het niet opvolgen van dit bevel.
De verdediging voerde cassatieberoep aan tegen deze veroordeling met het argument dat de APV-bepaling niet expliciet de bevoegdheid tot het doen van een vordering aan de betrokken ambtenaren toekent. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 184 Sr Pro vereist dat een wettelijk voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Uit recente arresten volgt dat de APV-bepaling in kwestie niet aan dit vereiste voldoet.
Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had en vernietigde het arrest. De Hoge Raad vond geen aanleiding om ambtshalve te vernietigen en verwees de zaak terug voor een passende beslissing. Hiermee werd de veroordeling wegens het niet opvolgen van het bevel op grond van de APV niet in stand gehouden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onjuiste uitleg van de bevoegdheid van ambtenaren in artikel 2.1.1.1 APV Deventer.