ECLI:NL:HR:2012:BY4827
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest over bevoegdheid politieambtenaar tot vordering krachtens APV Deventer
In deze cassatiezaak oordeelt de Hoge Raad over de vraag of een vordering van politieambtenaren krachtens een wettelijk voorschrift is gedaan, zoals vereist in art. 184 lid 1 Sr Pro. De zaak betreft een arrest van het Gerechtshof Arnhem uit 2011, waarin een verdachte werd veroordeeld op basis van een vordering gedaan door hoofdagenten op grond van art. 2.1.1.1. van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Deventer.
De Hoge Raad stelt vast dat de betreffende APV-bepaling niet uitdrukkelijk inhoudt dat politieambtenaren gerechtigd zijn tot het doen van een dergelijke vordering. Dit is een vereiste volgens de rechtspraak (HR LJN BB4108) en de wet. Het hof heeft het verweer van de verdachte dat de vordering niet krachtens wettelijk voorschrift was gedaan, onvoldoende gemotiveerd verworpen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem voor hernieuwde behandeling en beslissing in hoger beroep. De Hoge Raad oordeelt dat er geen ambtshalve vernietigingsgrond is en dat de zaak opnieuw inhoudelijk moet worden beoordeeld door het hof.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.