ECLI:NL:PHR:2012:BY6178
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid voorlopige machtiging op grond van gevaar bij schizofrenie
In deze zaak verzocht de officier van justitie de rechtbank om een voorlopige machtiging te verlenen tot opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van art. 2 Wet Pro Bopz. Betrokkene en haar raadsman voerden aan dat het gestelde gevaar onvoldoende concreet was en dat opname niet noodzakelijk was omdat betrokkene nog zelfstandig functioneerde.
De rechtbank verleende de machtiging, stellende dat betrokkene door schizofrenie gevaar veroorzaakte, met name het gevaar dat zij maatschappelijk te gronde zou gaan en zichzelf ernstig zou verwaarlozen. Dit gevaar kon niet worden afgewend door ambulante begeleiding omdat betrokkene deze afwees. De Hoge Raad toetste deze beoordeling en concludeerde dat de rechtbank voldoende gemotiveerd had waarom het gevaar bestond en waarom opname gerechtvaardigd was.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat de rechtbank het zogenaamde 'bestwil-criterium' had toegepast en benadrukte dat het gevaar klemmend en concreet moet zijn. De motivering van de rechtbank, mede gebaseerd op de geneeskundige verklaring en verklaringen ter zitting, voldeed aan de wettelijke eisen. De Hoge Raad bevestigde dat de beoordeling van het gevaar en de proportionaliteit aan de feitenrechter is voorbehouden.
De conclusie van de Hoge Raad is dat het beroep in cassatie wordt verworpen en de voorlopige machtiging terecht is verleend.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de voorlopige machtiging tot opname wegens klemmend gevaar door schizofrenie.