Conclusie
1.Feiten en procesverloop
onder a(toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen) en
onder e(aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen). Op het moment dat deze zorg niet meer voldoende is om het ernstig nadeel af te wenden, kunnen ook de andere verleende vormen van verplichte zorg (die
onder b, c, d en f) worden toegepast.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ex nuncgeldt, die inhoudt dat, gelet op de
actuelegezondheidstoestand van betrokkene ten tijde van de beoordeling, die vorm van verplichte zorg noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden. Volgens het middelonderdeel is het oordeel van de rechtbank bovendien onbegrijpelijk, voor zover het inhoudt dat de actuele gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde van de beoordeling door de rechtbank noopt tot ‘opnemen in een accommodatie’, ‘beperken van de bewegingsvrijheid’, ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht’. Voorts is het bestreden oordeel onbegrijpelijk voor zover het inhoudt dat voor die vier vormen van verplichte zorg aan de criteria en aan de doelen als bedoeld in art. 3:3 en Pro 3:4 Wvggz is voldaan.
ex nuncvan een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel meebrengt dat de gezondheidstoestand van de betrokkene op het moment van de beoordeling bepalend is voor het antwoord op de vraag welke vormen van zorg noodzakelijk zijn om de crisissituatie af te wenden. Aangezien de beoordelingsmaatstaf voor een zorgmachtiging eveneens ‘
ex nunc’is, is een zorgmachtiging voor nader bepaalde vormen van verplichte zorg slechts gerechtvaardigd indien de actuele gezondheidstoestand van betrokkene daartoe noopt, aldus het middelonderdeel.
voorafbepaalt welke verplichte zorg mag worden verleend. Wanneer de rechter (binnen de grenzen van het wettelijk maximum [11] ) de maximale duur van de te verlenen verplichte zorg vaststelt, kijkt de rechter
vanuit de actuele toestand ten tijde van zijn beslissingvooruit over de gehele looptijd van de te verlenen zorgmachtiging. Indien de rechter niet zo ver vooruit kan kijken, zal hij het verzoek van de officier van justitie afwijzen of de zorgmachtiging slechts verlenen voor een kortere periode. In dit verband verdient opmerking dat de zinsnede “leidt tot ernstig nadeel” in art. 3:3 Wvggz Pro weliswaar in de tegenwoordige tijd is gesteld, maar daartegenover staat dat het begrip ‘ernstig nadeel’ in deze wet ook ‘het aanzienlijk risico’ op een in art. 1:1 lid 2 Wvggz Pro beschreven toestand omvat. Met andere woorden: indien ten tijde van de beslissing van de machtigingsrechter het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel in de vorm van het aanzienlijk risico dat zich (gedurende de looptijd van de machtiging) een of meer van de in art. 1:1 lid 2 Wvggz Pro beschreven situaties zullen voordoen, kan die constatering bijdragen tot het rechterlijk oordeel dat aan de eisen van art. 3:2 – 3:4 Wvggz is voldaan.
geen gevolg zal gevenaan de haar opgelegde verplichting tot naleving van de ambulante vormen van verplichte zorg, met de consequentie dat het gevreesde ernstig nadeel zich (vermoedelijk) verwezenlijkt. Met het oog daarop heeft de rechtbank bepaald dat de vier andere (intramurale) vormen van zorg slechts mogen worden toegepast wanneer het ernstig nadeel niet meer kan worden afgewend door middel van de twee ambulante vormen van zorg.
op dat momentkan worden volstaan met de twee ambulante vormen van verplichte zorg onder a en onder e. Voor het geval dat tijdens de looptijd van de machtiging mocht blijken dat deze verwachting niet uitkomt, strekt de machtiging zich mede uit over de intramurale vormen van verplichte zorg (stap 2). De rechtsklacht die inhoudt dat de rechtbank een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd faalt daarom.
ten tijde van de beoordelingal noopt tot het onmiddellijk verlenen van verplichte zorg in de vorm van ‘opnemen in een accommodatie’, ‘beperken van de bewegingsvrijheid’, ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht’. De rechtbank is – geparafraseerd − van oordeel dat de gezondheidstoestand van betrokkene
ten tijde van de beoordelingnoopt tot het verlenen van een machtiging waarmee deze vormen van verplichte zorg mogen worden toegepast binnen de looptijd van de machtiging zodra blijkt dat de ambulante vormen van verplichte zorg niet meer voldoende zijn om het ernstig nadeel af te wenden. De bijkomende motiveringsklacht kan in het licht van het bovenstaande evenmin tot cassatie leiden.
foreseeable) te zijn, en dat aldus niet is voldaan de eis van rechtszekerheid (
legal certainty). [12]
rechterlijk oordeel, waarbij invulling wordt gegeven aan de verdragsautonome betekenis van het woord ‘rechtmatig’ (
lawful) in art. 5, lid 1 onder e, EVRM. Daarbij behoort de rechter, wat betreft het vermeende gevaar, te onderzoeken (i) hoe groot de kans is dat het gevreesde onheil zich zal voordoen, (ii) hoe ernstig de gevolgen zijn als het gevreesde onheil zich inderdaad voordoet, en (iii) of het gevaar voldoende ernstig is om een vrijheidsbeneming te rechtvaardigen (het proportionaliteitsvereiste) [13] . Geklaagd wordt dat de enkele clausule in de beschikking “als ambulante zorg onvoldoende blijkt” aan betrokkene onvoldoende houvast geeft en te veel ruimte laat voor een subjectief oordeel van de zorgverantwoordelijke.
niet meewerktaan het toedienen van medicatie of de gestelde (of te stellen) voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de mobiele telefoon niet naleeft. Wel is duidelijk wanneer, in de redenering van de rechtbank, een in het zorgplan voorziene crisissituatie zich voordoet (stap 2 in een zorgplan). Indien betrokkene tijdens de looptijd van de verleende machtiging zich niet langer de voorgeschreven medicatie laat toedienen, zal zich vermoedelijk al snel de situatie voordoen dat de noodzakelijk geoordeelde vorm van zorg onder a geen effect sorteert en dat daarmee de voorwaarde is vervuld voor het kunnen toepassen van de verplichte vormen van zorg onder b, c, d en f.
a. Probleembeschrijving volgens zorgverantwoordelijke
ex nunc)te verkrijgen over de rechtmatigheid van de uitvoering van de zorgmachtiging. In elk geval zou dit gelden voor het ‘opnemen in een accommodatie’ voor zover de machtiging is bedoeld als ‘stok achter de deur’ voor het meewerken aan de ambulante behandeling. De klacht houdt in dat de rechtbank om deze reden in strijd heeft gehandeld met de waarborgen die voortvloeien uit art. 5, lid 1 en lid 4, EVRM en art. 13 EVRM Pro. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat aan de eisen van deze rechtstreeks werkende verdragsbepalingen is voldaan, had zij de beslissing op dit punt nader moeten toelichten, aldus de klacht.
op voorhandeen toetsing uitvoert. Weliswaar kan de rechter in een toetsing vooraf redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen meenemen, maar die toetsing biedt volgens de klacht onvoldoende waarborg tegen willekeur op het moment van daadwerkelijke vrijheidsbeneming. Het onderdeel stelt dat betrokkene de mogelijkheid moet hebben om de rechtmatigheid van het op basis van art. 8:9 Wvggz Pro door de zorgverantwoordelijke genomen besluit aan de rechter te kunnen voorleggen. De toelichting op de klacht vermeldt als bezwaar tegen toetsing vooraf dat de machtigingsrechter op dat moment nog niet weet welke feiten en omstandigheden zich in de toekomst zullen voordoen en dan de vrijheidsbeneming kunnen rechtvaardigen.
in accordance with a procedure prescribed by law”. [16] Zoals hiervoor al aan de orde kwam, kent de Nederlandse wettelijke regeling een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming die in twee fasen verloopt. Vooraf toetst de machtigingsrechter welke verplichte zorg in een bepaald tijdvak aan de betrokken patiënt mag worden verleend. Vervolgens beslist de zorgverantwoordelijke binnen dat kader over de concrete toepassing daarvan: dat is de in art. 8:9 Wvggz Pro bedoelde uitvoeringsbeslissing. Daarover kan ingevolge hoofdstuk 10 Wvggz een rechterlijke beoordeling van de rechtmatigheid van deze uitvoeringsbeslissing worden verkregen. Een consequentie van dit gefaseerde stelsel van rechtsbescherming is inderdaad dat in de klachtenprocedure van hoofdstuk 10 de inhoud van de zorgmachtiging
als zodanigniet meer kan worden aangevochten. Wie het niet eens is met de beschikking van de machtigingsrechter kan tegen diens beslissing beroep in cassatie instellen.
Habeas Corpus Actgeïnspireerde verdragsbepaling gaat ervan uit dat een overheidsorgaan de vrijheid ontneemt aan een persoon. Vervolgens geeft art. 5 lid 4 EVRM Pro aan die persoon het recht om zich tot een rechter te wenden die spoedig de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming in volle omvang beoordeelt en de invrijheidstelling kan gelasten indien de vrijheidsbeneming niet rechtmatig is.
als zodanigin de klachtenprocedure niet worden bestreden. Indien de machtigingsrechter de zorgverantwoordelijke wat meer beslissingsruimte laat, verleent de Wvggz-klachtenrechter rechtsbescherming. Indien, bijvoorbeeld, de machtigingsrechter een voorwaarde bepaalt waaronder gedurende de looptijd van de machtiging opneming in een accommodatie mogelijk is en de zorgverantwoordelijke bepaalt of wel of niet aan deze voorwaarde is voldaan en vervolgens op die grond besluit tot het alsnog opnemen van de betrokkene in een accommodatie, kan over deze uitvoeringsbeslissing (was wel/niet aan de voorwaarde voldaan?) in de procedure als bedoeld in hoofdstuk 10 Wvggz het oordeel van de klachtenrechter worden gevraagd.
speedily’is in de zin van art. 5 lid 4 EVRM Pro als de zorgverantwoordelijke eenmaal tot vrijheidsbeneming heeft besloten, behoeft mijns inziens geen beantwoording in de machtigingsprocedure. De slotsom is dat onderdeel III eveneens faalt.