ECLI:NL:PHR:2012:BY8147
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Giftenaftrek bij periodieke uitkeringen uit nalatenschap en schenkingsrecht
In deze zaak staat centraal of erfgenamen giftenaftrek kunnen toepassen voor periodieke uitkeringen die voortvloeien uit een schenking die door de erflater bij notariële akte is gedaan. De schenking betrof een periodieke uitkering in natura van certificaten van aandelen aan een algemeen nut beogende instelling, waarbij de verplichting tot betaling na het overlijden van de schenker onder algemene titel op de erfgenamen is overgegaan.
De Rechtbank wees de aftrek af omdat de periodieke uitkeringen en het schenkingsrecht op de nalatenschap in mindering waren gebracht voordat het erfgenaamvermogen werd bepaald, waardoor geen sprake was van een gift. Het Hof stelde echter dat de voorwaarde van vrijgevigheid niet aan de erfgenamen hoeft te worden getoetst, maar aan het moment van toekenning van het recht op periodieke uitkeringen. Het Hof oordeelde dat de periodieke uitkeringen voldeden aan de voorwaarden van vaste en gelijkmatige uitkeringen en dat de giftenaftrek op basis van de waarde van de certificaten kon worden toegepast.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen het oordeel van het Hof, met name over de vraag of de erfgenamen de giftenaftrek konden toepassen en of de uitkeringen voldeden aan de eis van vaste en gelijkmatige uitkeringen. De Hoge Raad bevestigde dat de verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen onder algemene titel op de erfgenamen kan overgaan en dat deze erfgenamen de giftenaftrek kunnen toepassen. Ook werd geoordeeld dat de uitkeringen niet strikt jaar voor jaar hoeven te zijn voldaan om aan het vereiste van vaste en gelijkmatige uitkeringen te voldoen. Wel werd geoordeeld dat de betaling van het schenkingsrecht niet als gift kan worden aangemerkt, zodat aftrek daarvoor niet mogelijk is.
De uitspraak verduidelijkt het toepassingsgebied van de giftenaftrek bij periodieke uitkeringen uit nalatenschappen en benadrukt het belang van het toetsingsmoment van vrijgevigheid en de voorwaarden van de Wet IB 2001. Hiermee wordt beoogd de fiscale behandeling van dergelijke periodieke giften in overeenstemming te brengen met de wettelijke doelstellingen en praktijk.
Uitkomst: Erfgenamen kunnen giftenaftrek toepassen voor periodieke uitkeringen uit nalatenschap, maar niet voor betaling van het schenkingsrecht.