ECLI:NL:HR:2013:BY8147
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aftrek giften bij periodieke uitkeringen uit schenking na overlijden
In deze zaak ging het om de vraag of erfgenamen recht hebben op giftenaftrek voor periodieke uitkeringen die voortvloeien uit een schenking die de erflaatster bij leven had gedaan aan een algemeen nut beogende instelling. De schenking bestond uit jaarlijkse overdrachten van certificaten van aandelen, waarbij de erflaatster zich verplichtte jaarlijks 16.000 certificaten over te dragen.
Na het overlijden van de erflaatster in 2002 hebben de erfgenamen de verplichtingen uit de schenking alsnog uitgevoerd, waaronder de levering van certificaten die oorspronkelijk voor 2002 bestemd waren. Belanghebbende, een erfgenaam, heeft deze uitkeringen in zijn aangifte inkomstenbelasting 2003 als persoonsgebonden aftrek wegens giften opgevoerd.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en gaf belanghebbende gelijk dat de giftenaftrek ook over de in 2003 uitgevoerde uitkeringen geldt. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de schenking reeds bij het aangaan van de overeenkomst een waardeverschuiving tot stand bracht, dat de verplichtingen ook na overlijden op de erfgenamen overgaan zonder wijziging van aard, en dat de uitkeringen als vast en gelijkmatig kunnen worden aangemerkt ondanks de latere betaling.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en veroordeelde hem in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd.