ECLI:NL:PHR:2012:BY9294
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering eigen woning bij voortgezette bewoning zonder zakelijk recht na overlijden erflater
In deze zaak staat centraal de vraag hoe de voortgezette bewoning van de eigen woning van een erflater door een derde zonder zakelijk recht na het overlijden van de erflater moet worden gewaardeerd voor het successierecht. De erflater woonde samen met B in zijn woning en had mondeling afgesproken dat B om niet in de woning mocht blijven wonen tot haar dood. Na het overlijden van de erflater bleef B in de woning wonen tot haar overlijden.
De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de woning voor de volle waarde in het economische verkeer moet worden gewaardeerd, maar het hof heeft de afspraak tussen erflater, B en de erfgenamen gekwalificeerd als een derdenbeding dat een last vormt die in mindering kan worden gebracht op de verkrijging van de erfgenamen. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze kwalificatie.
De Advocaat-Generaal betwijfelt of de afspraak als derdenbeding kan worden aangemerkt en kwalificeert de afspraak als een overeenkomst van bruiklening tussen erflater en B. De erfgenamen zijn na overlijden van erflater partij geworden in deze overeenkomst. De woning dient daarom gewaardeerd te worden in vrije en ontruimde staat. De verplichting tot nakoming van de bruikleenovereenkomst vormt een rechtens afdwingbare last die een waardedrukkend effect heeft en als schuld van de nalatenschap in aanmerking kan worden genomen.
Verder oordeelt de Advocaat-Generaal dat de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ten onrechte niet is toegekend en dat het incidentele beroep van belanghebbenden op dit punt gegrond is. De conclusie luidt dat het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond is en het incidentele beroep van belanghebbenden gegrond.
Uitkomst: De beroepen in cassatie van de Staatssecretaris worden ongegrond verklaard en het incidentele beroep van belanghebbenden wordt gegrond verklaard.