ECLI:NL:PHR:2012:BZ3928
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtsgeldigheid en strafrechtelijke vervolging ongewenstverklaring vreemdeling vóór implementatie terugkeerrichtlijn
In deze zaak stond centraal of een vreemdeling die vóór de implementatie van de Terugkeerrichtlijn tot ongewenst vreemdeling is verklaard, zich op deze richtlijn kan beroepen en of de strafoplegging op grond van art. 197 Sr Pro daarmee in overeenstemming moet zijn.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechtskracht van een ongewenstverklaring van vóór de implementatiedatum van de richtlijn niet vervalt enkel omdat de richtlijn later in werking is getreden. Indien de richtlijn een duur aan het inreisverbod verbindt, moet deze duur worden berekend vanaf het moment dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten, wat in deze zaak niet het geval was.
Voorts benadrukte de Hoge Raad dat bij strafrechtelijke vervolging wegens overtreding van art. 197 Sr Pro de rechter moet toetsen of de ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van het Europees recht, waaronder de Terugkeerrichtlijn. Dit geldt ook als de vreemdeling geen gebruik heeft gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat het hof onvoldoende had onderzocht of de ongewenstverklaring verenigbaar was met de richtlijn. Het hof had terecht geoordeeld dat de ongewenstverklaring niet in strijd was met de Terugkeerrichtlijn en dat strafrechtelijke vervolging mogelijk is zolang de terugkeerprocedure correct is doorlopen.
De strafoplegging werd vernietigd voor zover niet was vastgesteld dat de terugkeerprocedure was gevolgd, maar het middel werd verder verworpen. De zaak bevestigt de noodzaak van afstemming tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures bij ongewenstverklaringen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de strafrechtelijke vervolging en ongewenstverklaring blijven rechtsgeldig onder de voorwaarden van de Terugkeerrichtlijn.