ECLI:NL:HR:2013:BZ3928
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- N. Jörg
- V. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging strafoplegging wegens niet-naleving terugkeerprocedure bij ongewenstverklaring vreemdeling
De verdachte werd veroordeeld wegens het verblijven in Nederland terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat de strafoplegging in overeenstemming moet zijn met de Europese terugkeerrichtlijn 2008/115/EG, die een procedure voorschrijft voor de terugkeer van illegaal verblijvende vreemdelingen.
De Hoge Raad stelt dat een ongewenstverklaring die vóór de implementatiedatum van de richtlijn is uitgevaardigd, niet automatisch haar rechtskracht verliest en niet gebonden hoeft te zijn aan een bepaalde duur zoals in de richtlijn bepaald. Indien een duur moet worden berekend, begint deze vanaf de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten, wat hier niet het geval was.
Ambtshalve oordeelt de Hoge Raad dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in strijd is met de richtlijn indien de terugkeerprocedure niet is doorlopen. In deze zaak heeft het hof niet vastgesteld dat de terugkeerprocedure is gevolgd, waardoor de strafoplegging niet in stand kan blijven.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak dat de strafoplegging betreft en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting, terwijl het beroep in cassatie voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: De strafoplegging wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting vanwege niet-naleving van de terugkeerprocedure.