ECLI:NL:PHR:2012:BZ3930
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over rechtsgeldigheid en strafoplegging bij ongewenstverklaring vreemdeling in relatie tot Terugkeerrichtlijn
In deze zaak stond centraal of een vreemdeling die vóór de implementatie van de Terugkeerrichtlijn tot ongewenst vreemdeling is verklaard, zich op deze richtlijn kan beroepen en of de strafoplegging op grond van art. 197 Sr Pro daarmee in overeenstemming moet zijn.
De Hoge Raad bevestigt dat de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn niet automatisch de rechtskracht van een eerder uitgevaardigde ongewenstverklaring doet vervallen, ook als daarin niet expliciet een duur is vermeld conform art. 11.2 van de richtlijn. Indien de richtlijn al dan niet van toepassing is, moet de duur van een inreisverbod worden berekend vanaf het moment dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten, maar in deze zaak was die datum nog niet verstreken.
Voorts benadrukt de Hoge Raad dat bij vervolging op grond van art. 197 Sr Pro de rechter moet toetsen of de ongewenstverklaring verenigbaar is met rechtstreeks werkende bepalingen van het Europees recht, zoals de Terugkeerrichtlijn, en gemotiveerd op dat verweer moet beslissen. Dit geldt ook als de vreemdeling geen gebruik heeft gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang.
In deze zaak oordeelde het hof dat de ongewenstverklaring niet in strijd was met de Terugkeerrichtlijn, een oordeel dat de Hoge Raad niet onjuist of onbegrijpelijk acht. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde het vonnis waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand wegens verblijf als ongewenst vreemdeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde de veroordeling van de verdachte tot één maand gevangenisstraf wegens verblijf als ongewenst verklaarde vreemdeling.