Conclusie
inzake
2. Procesverloop
3. Inzet van de cassatiemiddelen: inleiding
heruitzendenvan uitvoeringen, maar niet voor
uitzendendaarvan, en nu volgens NLKabel c.s. (en volgens het hof) bij de onder 1.3 geschetste vermelde gang van zaken geen sprake (meer) is van
heruitzenden;
extragronden opleveren tot afwijzing van Norma’s (toch al afgewezen) overige vorderingen. Bij gegrondbevinding kan dat volgens NLKabel c.s. ertoe leiden dat Norma bij de beoordeling van haar principale cassatieklachten geen belang heeft.
4. Juridisch kader
Conventie van Rome
5. Bespreking van het principale cassatieberoep
auteursis het recht van mededeling aan het publiek, met inbegrip van het recht op beschikbaarstelling van het werk, neergelegd in artikel 3 lid 1 van Pro Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (de Auteursrechtrichtlijn). In zijn arrest van 7 december 2006 inzake “
Hoteles” (zaak C-306/05) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) overwogen dat ‘uit artikel 3, lid 1, van (de Auteursrechtrichtlijn) (volgt), dat van een mededeling aan het publiek sprake is wanneer het werk op zodanige wijze aan het publiek beschikbaar wordt gesteld dat het voor leden van dit publiek toegankelijk is’ (punt 43). In punt 37 van het “
Hoteles”-arrest heeft het HvJEU bevestigd hetgeen het in punt 31 van zijn arrest van 14 juli 2005 inzake “
Lagardère” (zaak C-192/04) al had overwogen, namelijk dat onder “publiek” moet worden verstaan het “onbepaald aantal potentiële luisteraars of kijkers”, dat is het in rov. 4.3 genoemde algemene publiek. In zijn arrest van 9 juni 2009 inzake “
Buma/ Chellomedia” (LJN: BH7602, NJ 2009/290) heeft de HR beslist dat de uitleg die het HvJEU in het “
Lagardère”-arrest aan het begrip “publiek” heeft gegeven bepalend is “voor de thans aan ‘openbaarmaking’ in artikel 12 Aw Pro te geven richtlijnconforme uitleg”. In aanmerking nemende dat de bij de Media Gateway aangesloten partijen niet het “onbepaald aantal potentiële luisteraars of kijkers” vormen, volgt hieruit en uit het onder 4.3 overwogene dat de aanleveringshandelingen van de omroepen niet als openbaarmakingen/ mededelingen aan het publiek
in auteursrechtelijke zinkunnen worden gekwalificeerd. Dat – zoals Norma (in de punten 288-296 MvG en 54 en 63-71 PA) onder verwijzing naar het arrest van het HvJEU van 13 oktober 2011 inzake “
Airfield” (zaken C431/09 en 432/09) nog heeft aangevoerd – de omroepen wel een exploitatiehandeling verrichten en profijt trekken van het aanleveren van de programma’s aan de kabelexploitanten, kan dit niet anders maken. In punt 80 van het “
Airfield”-arrest is uitsluitend op het winstoogmerk ingegaan in het kader van de in dit geding niet aan de orde zijnde vraag of het werk toegankelijk werd gemaakt voor een nieuw publiek waarop de toestemming van de rechthebbenden niet was gericht, terwijl het HvJEU in punt 204 van zijn arrest van 4 oktober 2011 inzake “
FA Premier League” (zaken C 403/08 en C-429/08) heeft benadrukt dat het bij de in dit geding wel aan de orde zijnde vraag of een handeling een mededeling aan het publiek vormt, alleen maar “niet irrelevant” is dat deze een winstoogmerk heeft. Hiermee heeft het HvJEU, naar het hof begrijpt, tot uitdrukking gebracht dat winstoogmerk bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3 lid 1 van Pro de Auteursrechtrichtlijn een mee te wegen maar niet zonder meer doorslaggevende factor is (zie ook punt 36 van het arrest van het HvJEU van 15 maart 2012 inzake “
PLL/Ierland”, zaak C-162/10).
het openbaarmaken(…)”, later is dit, om redenen van congruentie met de Mediawet, gewijzigd in “
het verspreiden(…)”, zonder dat daarmee een inhoudelijke wijziging van het begrip “uitzenden” was beoogd (zie de Nota naar aanleiding van het eindverslag bij artikel 1.g WNR). “Heruitzenden” is in artikel 1.h WNR gedefinieerd als, kort gezegd, het gelijktijdig en ongewijzigd uitzenden. De Nederlandse wetgever heeft, zo moet worden vastgesteld, bij de totstandkoming van de WNR in 1993 met zowel het begrip “uitzenden” als het begrip “heruitzenden” openbaarmakingshandelingen voor ogen gehad. Argument a)(3) van Norma loopt hierop stuk. Ook Norma’s argumenten a)(4) en (5) gaan niet op. Een instelling is ingevolge artikel 1.e WNR ook een omroeporganisatie wanneer zij een door haar verzorgd programma (door de kabelexploitanten) “doet uitzenden” en alsdan is sprake van een “uitgezonden programma” als bedoeld in artikel 1.i WNR en verkrijgt een omroeporganisatie de in artikel 8 WNR Pro genoemde rechten. Indien kabelexploitanten niet “heruitzenden” dan zijn zij nog geen omroeporganisaties in de zin van de WNR, omdat zij geen programma’s verzorgen zoals artikel 1.e WNR voor de hoedanigheid van “omroeporganisatie” eist.
Artikel 26a strekt tot uitwerking van artikel 9 van Pro de richtlijn, welk artikel collectieve uitoefening van het recht met betrekking tot kabeldoorgifte verplicht stelt. Dit uitgangspunt van de richtlijn is in het onderhavige wetsvoorstel ruimer geformuleerd in die zin dat ook de kabeldoorgifte van nationale programma’s en van programma’s afkomstig uit derde landen onder deze regeling vallen. Er bestaat geen aanleiding om in dit opzicht onderscheid te maken”.
Inhoudelijk is artikel 14a gelijk aan het voorgestelde artikel 26a van de auteurswet 1912. Verwezen zij naar de toelichting op laatstgenoemd artikel” ( Kamerstukken II 1993-1994, 23 813, nr. 3, p. 10).
Authors of literary and artistic works shall enjoy the exclusive right of authorizing:
rebroadcasting”, dat zowel “by wire” als “wireless” kan zijn. In deze bepaling wordt een exclusief recht verleend voor twee situaties, ten eerste voor primaire openbaarmaking via de kabel (“
any communication to the public by wire”) en ten tweede voor “
any communication to the public by rebroadcasting”, al dan niet via de kabel, “
of the broadcast of the work”, in welk geval er (alleen) een exclusief recht is indien de “
communication” geschiedt door een andere organisatie dan de oorspronkelijke. In de tweede situatie (“
rebroadcasting”/ “doorgifte via de kabel”) wordt een primaire openbaarmaking voorondersteld. Immers, indien er geen voorafgaande primaire openbaarmaking zou zijn, dan zou de “
rebroadcasting” zelf de primaire openbaarmaking vormen, hetgeen niet het geval kan zijn omdat “
rebroadcasting” dan onder [de] eerste situatie zou vallen.
nog wél de signalen uit de ether zouden opvangen en doorgeven per kabel, er sprake zou van een ‘mededeling aan het publiek’ waarvoor afzonderlijke toestemming vereist is, zonder dat daaraan afdoet dat de abonnees de tv-uitzendingen ook al via de ether konden en mochten ontvangen. In zoverre ziet de Hoge Raad drie decennia later in dit ITV / TV Catchup-arrest zijn keuze in ‘Amstelveen’-kabelarresten van 1981 en 1984 [19] alsnog Unierechtelijk bevestigd. [20]
issuein de nu voorliggende zaak.
deze issuebrengt het ITV / TV Catchup-arrest m.i. geen verandering ten opzichte van de eerder aangehaalde arresten van het Hof van Justitie (met name:
Lagardère / SPREen
SGAE / Rafael Hoteles).
daadwerkelijk‘publiek’ veronderstelt (rov. 31) en dat dit op een onbepaald aantal potentiële kijkers ziet en overigens een vrij groot aantal personen impliceert (rov. 32). Na in rov. 34 te hebben aangegeven dat een één-op-één verbinding ten deze geen relevant criterium is, ‘distinguisht’ het Hof de onderhavige activiteit van TV Catchup van gevallen in eerdere arresten, doordat haar doorgifte via internet zich richt tot (maar liefst) alle inwoners van het Verenigd Koninkrijk (rov. 35), en daarmee op een onbepaald aantal potentiële kijkers (rov. 36). In
zó’ngeval is het criterium van een ‘nieuw publiek’ niet aan de orde (rov. 37 - 39).
punten 5-6van onderdeel A van het eerste middel hebben slechts een inleidend karakter.
punt 7heeft het hof bij zijn uitleg en toepassing van het begrip ‘heruitzenden’ in art. 14a WNR ten onrechte aangenomen dat van ‘heruitzenden’ alleen sprake kan zijn als met de (technische) wijze van aanlevering van de signalen, die de kabelexploitant voorafgaand ontvangt om via de kabel door te geven, (ook) een ‘primaire openbaarmaking’ plaatsvindt aan de kabel. Volgens de klacht volgt een dergelijke eis niet uit de tekst van de wet en is die ook onverenigbaar met het stelsel en de strekking van de wet.
heruitzendingvia de kabel zich niét (meer) voordoet, zijn die claims er niet en behoeft daartegen geen bescherming geboden te worden.
dwingtdat daarvan niet gesproken zou kunnen worden bij afwezigheid van een ‘uitzending’ of primaire openbaarmaking (voor een algemeen publiek). Maar voor zo’n van de tekst en de strekking van de bepaling afwijkende uitleg moeten dan wel sterke (andere) argumenten bestaan. Voldoende zware argumenten worden in punt 7 (en, naar bleek en blijken zal, ook in andere klachten van het cassatiemiddel) niet gegeven.
punt 8zou het hof in dit verband hebben miskend dat ‘heruitzenden’ in art. 14a WNR een afzonderlijke / onafhankelijke (exploitatie-) handeling kan inhouden, die een kabelexploitant, niet zelf zijnde een omroeporganisatie, voor eigen rekening en voordeel uitvoert, waarbij de kabelexploitant ongewijzigd en onverkort via de kabel programma’s doorgeeft die voor het publiek bestemd zijn.
punten 9 en 10klagen punten 11 - 17 over een onjuiste uitleg en toepassing door het hof van het begrip ‘publiek’.
punt 11geeft het hof in rov. 4.3 - 4.5 blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat het enkele feit dat, in ’s hofs woorden, ‘programmadragende signalen’ gecodeerd worden aangeleverd, dat de decodeersleutels aan kabelexploitanten worden verstrekt en dat ‘het algemene publiek’ geen decodeersleutels van de omroepen ontvangt, niet uitsluit dat (toch) sprake kan zijn van een (‘primaire’) ‘openbaarmaking’ (c.q. een nabuurrechtelijk relevante (exploitatie)handeling) door de omroepen van uitvoeringen waarop naburige rechten rusten.
in fine) blijkt dat voor het hof – terecht – niet slechts beslissend was de
gecodeerdeaanlevering en de verstrekking van decodeersleutels slechts aan de kabelexploitanten. Dat het hof de verbinding tussen de omroepen en de kabelexploitanten niet beschouwt als niet toegankelijk voor een ‘(algemeen) publiek’ geeft – behoudens mogelijke gegrondheid van verdere daarop gerichte klachten, die echter eveneens blijken te falen – (tot zover) geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en is niet onbegrijpelijk.
punt 12legt het hof het begrip ‘publiek’ uit in de door het hof ten onrechte aan art. 3 lid 1 ARl Pro ontleende maatstaf ‘mededeling aan het publiek’ te eng uit, door onder ‘publiek’ alleen te verstaan ‘het algemene publiek’ / ‘een onbepaald aantal potentiële luisteraars en kijkers’. Het hof miskent (daarmee) dat onder ‘publiek’ niet alleen eindgebruikers (zoals ‘luisteraars en kijkers’, alsook bijvoorbeeld ‘lezers’) maar ook andere gebruikers (zoals ‘(kabel-)exploitanten’) kunnen vallen.
punt 13is (aldus) rechtens onjuist of gebrekkig gemotiveerd ’s hofs oordeel dat de aanlevering van programma's door de omroepen via de Media Gateway aan de kabelexploitanten in de huidige situatie geen (primaire) openbaarmaking c.q. een nabuurrechtelijk relevante (exploitatie-) handeling is. De te enge ‘publiek’-toets van het hof heeft het naar het stelsel van de (Europese) wetgeving onaanvaardbare gevolg dat onafhankelijke partijen die programma’s van de omroepen niet voor rekening en verantwoordelijkheid van die omroepen maar voor eigen profijt exploiteren, niet door de collectieve belangenorganisaties kunnen worden aangesproken op afdracht van een billijk deel in de winst die zij door hun gebruik van de naburige rechten opstrijken. Ook dit gevolg is niet verenigbaar met het stelsel en de strekking van art. 14a WNR, aldus Norma.
heruitzendinggeen sprake (meer) is. Voor zover Norma klaagt over het wegvallen van een rol in deze voor collectieve belangenorganisaties (CBO’s), moet opgemerkt worden dat de strekking van art. 9 SKRl Pro en van 14a WNR zeker niet is de bescherming van eigen belangen van daar bedoelde CBO’s.
punten 14 (a) en 15van het onderdeel heeft het hof in rov. 4.2 ten onrechte niet relevant geacht het door Norma gestelde feit dat de omroepen gelijktijdig met de aanlevering aan de kabel (andere) openbaarmakingshandelingen verrichten bij de distributie van programma’s waarbij de kabel geen rol speelt. Op grond van de door het hof aangehaalde wetgeving is niet relevant, laat staan doorslaggevend, of het ‘signaal’ dat de omroep aan de kabelexploitant aanlevert technisch gezien een ander ‘signaal’ is dan het ‘signaal’ waarmee de omroep via andere kanalen het publiek bereikt. Relevant is volgens art. 1 lid 3 SKRl Pro slechts of sprake is van een gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte, door middel van een kabel- of microgolfsysteem, aan het publiek van een eerste uitzending van radio- of televisieprogramma’s die voor het publiek bestemd zijn. Het hof heeft miskend dat slechts vereist is dat het doorgeven via de kabel aan het publiek geschiedt, en dat (de wet niet méér vereist dan dat) hetgeen de kabelexploitanten doorgeven voor het publiek bestemd is.
punten 14 (b) en 16heeft het hof in rov. 4.4 (laatste drie volzinnen) in verbinding met rov. 4.8 ten onrechte niet relevant geacht het (door Norma gestelde) feit dat de omroepen een nabuurrechtelijk relevante (exploitatie-) handeling verrichten en profijt trekken van het aanleveren via Media Gateway van de programma’s aan de kabelexploitanten, ook waar de omroepen in de huidige situatie door haar verzorgde programma’s volgens het hof door de kabelexploitanten ‘doen uitzenden’ (en de kabelexploitanten (mede) daardoor niet langer geacht kunnen worden te ‘heruitzenden’).
punt 17deelt het lot van de eerdere klachten van onderdeel I.B.
punt 19de (subsidiaire) klacht dat – kort samengevat – de omstandigheid dat het hof, ook indien het met juistheid kon vaststellen dat de kabelexploitanten in de huidige (Media Gateway-)situatie een ‘primaire openbaarmakingshandeling’ verrichten, heeft miskend dat daarbij tóch sprake kan zijn van ‘heruitzenden’, althans van een situatie waarin een (tweede) toestemming van een organisatie op basis van art. 14a WNR nodig is, nu bij de beantwoording van die vraag ook (door het hof niet in de overwegingen betrokken)
andere factoreneen rol spelen.
punten 20 en 21is het Haagse hof ten onrechte of ondeugdelijk motiverend voorbijgegaan aan Norma’s beroep op het Airfield-arrest.
punt 22wordt nog geklaagd over miskenning door het hof in rov. 4.13 van Norma’s stelling dat het gegeven dat de kabelexploitanten overeenkomsten met collectieve beheerorganisaties van
auteursrechthebbendenhebben gesloten een erkenning meebrengt dat zij een interventie verrichten waarmee zij beschermde werken en uitvoeringen toegankelijk maken voor een ruimer publiek dan het publiek die de rechthebbenden voor ogen hadden toen zij initiële toestemming gaven.
punt 23(dat, voor zover het hof in punt 22 bedoelde onderzoek niet nodig achtte, omdat in zijn gedachtegang blijkens bijvoorbeeld rov. 1.1.a en rov. 4.15, laatste zin, de initiële toestemming die naburig rechthebbenden (mede) gericht is op exploitatiehandelingen via de kabel, dat oordeel onvoldoende gemotiveerd is in het licht van Norma’s betwisting daarvan).
Punt 24(een ‘veegklacht’), en
punt 25dat geheel voortbouwt op eerdere klachten, delen het lot van de eerdere klachten.
punt 26bouwt vrijwel geheel voort op eerdere klachten.
auteursbevochten) ‘Amstelveen’-arresten en vervolgens dankzij art. 14a WNR, in de schoot gevallen aanspraak op (extra) kabelinkomsten.
punt 27deelt het lot van de eerdere klachten.
alle [32] naburige rechten die de desbetreffende naburig kunstenaar heeft verkregen, kunnen worden geïdentificeerd.’
Onderdeel II.B(
punt 6) klaagt dat de laatste zin van rov. 5.5 is gebaseerd op een niet-bestaande regel. Volgens het onderdeel gaat de bepaalbaarheidstoets van art. 3:84 lid 2 BW Pro niet zo ver dat alle naburige rechten achteraf moeten kunnen worden geïdentificeerd.
onderdelen (II) A en (II) Cbestrijden ’s hofs oordeel in rov. 5.6, luidende:
punten 2-4) klaagt Norma dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden nu geen van partijen zou hebben gesteld dat van onvoldoende bepaaldheid sprake was
omdatniet alle naburige rechten achteraf kunnen worden geïdentificeerd. Ook zou niet zijn gesteld dat uitvoeringen in de vrienden- of familiekring niet te identificeren zouden zijn. Norma klaagt ook dat NLKabel c.s. geen onbepaaldheidsverweer hebben gevoerd met betrekking tot de door Norma ingeroepen exploitatie-overeenkomsten uit 2010, zodat het hof deze overeenkomsten niet aan art. 3:84 lid 2 BW Pro had mogen toetsen.
toekomstigwerk ging) in 1929 en 1941 geen moeite had [45] .
‘Het gevolg hiervan is – in de woorden van Norma (MvG onder 306) – dat de uitvoerend kunstenaar al zijn (bestaande en toekomstige) rechten in het vermogen van Norma inbrengt en hij daarvan zelf niets overhoudt.’Het gevolg is ook dat een CBO (als Norma), goederenrechtelijk bezien, de verkregen rechten overeenkomstig art. 3:83 lid 1 BW Pro (naar believen) verder aan derden zou kunnen overdragen, en dat bij een onverhoopt faillissement van een CBO, de aan haar overgedragen rechten in haar faillissement zouden vallen.
alleendie bevoegdheden omvat waarvan dit in de akte is vermeld of uit de strekking van de titel
noodzakelijkvoortvloeit, met als strekking de bescherming van de uitvoerende kunstenaar tegen een al te gemakkelijk en ondoordacht prijsgeven van zijn rechten. Die bepaling gaat echter, net als art. 2 Aw Pro, over de ‘rechten’ en niet over de ‘uitvoeringen’, net zo min als art. 2 Aw Pro over de ‘werken’ gaat.
het auteursrecht op een boek, dat de auteur over een onderwerp schrijven zal’. [47]
punt 5, dat het hof de exploitatieovereenkomsten niet aan de bepaaldheidstoets had moeten onderwerpen omdat NLKabel c.s. geen bezwaar hebben gemaakt tegen de nieuwe (2010) versie, merk ik het volgende op. Kennelijk heeft het hof het verweer van NLKabel c.s. (MvA p. 35 - 38, punten 4.90 - 4.100) tegen Norma’s grief X, die gericht was tegen de afwijzing in eerste aanleg van de vorderingen die Norma heeft gegrond op de exploitatie-overeenkomsten (MvG p. 103 e.v.), aldus begrepen dat het niet louter betrekking had op de exploitatie-overeenkomsten uit 2005 en 2006, maar ook op die uit 2010. Deze lezing van de processtukken is niet onbegrijpelijk. Uit de MvA blijkt dat NLKabel c.s. eerst de bepaaldheidstoets aan de orde heeft gesteld (zie punt 4.91) en vervolgens heeft aangegeven dat ook de nieuwe overgelegde overeenkomst van 2010 Norma niet kan baten (punt 4.97). Dit laat zich moeilijk anders begrijpen dan dat NLKabel c.s. niet de overeenkomsten uit 2010 van het onbepaaldheidsverweer heeft willen uitzonderen, maar juist aanvullende argumenten heeft willen aandragen voor de ongegrondheid van Norma’s grief X. Overigens heeft het hof in samenhang met de bepaaldheidstoets aan deze overeenkomsten een gelijkluidende uitleg gegeven in rov. 5.2 van het bestreden arrest, waarover in cassatie niet is geklaagd, zodat ook om die reden geen aanleiding bestaat de overeenkomsten voor de toepassing van art. 3:84 lid 2 BW Pro te onderscheiden.
punt 7) niet valt in te zien waarom het repertoire waarop een uitvoerende kunstenaar naburige rechten verkrijgt (achteraf) niet (voldoende) identificeerbaar zou zijn omdat binnen dat repertoire zich ook uitvoeringen in vrienden- en familiekring kunnen bevinden;
punt 8) ’s hofs voorbeeld over de uitvoeringen in vrienden- en familiekring is niet door partijen gesteld;
punt 9) ’s hofs voorbeeld doet niet ter zake nu Norma het contractuele begrip repertoire beperkt heeft tot heruitzending van een uitvoering, een opname van een uitvoering of een reproductie daarvan door middel van een omroepnetwerk;
punt 10) er is weldegelijk sprake van voldoende bepaalbaarheid, aangezien de betreffende uitvoerende kunstenaar individualiseerbaar is en daarmee al zijn toekomstige uitvoeringen voldoende bepaald zijn;
punt 11) het hof is voorbijgegaan aan stellingen van Norma ten aanzien van overeenstemming tussen de contractspartijen over de inhoud van de exploitatie-overeenkomst;
punt 12) het hof heeft ten onrechte niet onderzocht of de Haviltex-toets kan leiden tot de door Norma verdedigde uitleg van de exploitatie-overeenkomst;
punt 13) voor zover het hof in art. 9 WNR Pro een aanvullende beperking leest voor overdracht, getuigt zulks van een onjuiste rechtsopvatting.
punten 7 en 10slagen niet. De gedachtegang van het hof dat (de inhoud van) individuele uitvoeringen in vrienden- en familiekring bij gebrek aan andere gegevens dan de identiteit van de uitvoerende kunstenaar zich niet (voldoende) laten identificeren, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is goed te begrijpen. De identiteit van de uitvoerende kunstenaar zegt immers nog niets over de vraag óf er (een) uitvoering(en) heeft (hebben) plaatsgevonden en zo ja, over de inhoud daarvan.
Punt 8vormt een herhaling van (een gedeelte van) onderdeel II.A en faalt om de redenen genoemd bij de bespreking van dat onderdeel.
Punt 9 ziet over het hoofd dat in cassatie als onbestreden vaststaat dat de door Norma bedoelde beperking niet aan de titel/levering ten grondslag is gelegd (zie rov. 5.2), zodat dit argument terzijde kan worden gelegd. Dat het hof de door Norma bedoelde beperking niet gelezen heeft in punt 51 CvR is allerminst onbegrijpelijk.
punt 11genoemde stellingen (kort samengevat: tussen partijen bestond volledige overeenstemming, de uitvoerende kunstenaars hebben dat achteraf nog eens bevestigd, de overeenkomsten zijn aangevuld) zijn niet essentieel omdat zij, indien juist bevonden, op zichzelf niet het intreden van het rechtsgevolg van art. 3:84 lid 2 BW Pro zouden kunnen beletten. Daarbij komt dat in cassatie moet worden uitgegaan van de door het hof in rov. 5.2 aan de inhoud van de exploitatie-overeenkomsten verbonden uitleg. Dat Norma een andere uitleg voorstond en voorstaat, is niet voldoende om die van het hof onbegrijpelijk te maken.
punt 12mist feitelijke grondslag. Naar aanleiding van de stelling van Norma dat in de exploitatie-overeenkomsten in ieder geval het recht op kabeldoorgifte is overgedragen (eerste volzin), heeft het hof zich in rov. 5.8 – terecht – niettemin gebogen over een ander inhoudsbepalend element van de exploitatie-overeenkomsten, nl. de objecten (uitvoeringen) waarop die overgedragen rechten (op kabeldoorgifte) betrekking zouden hebben. Daarbij toetste het hof (terecht) aan de regel van art.3:84 lid 2 BW Pro. Rov. 5.8 biedt geen grondslag voor Norma’s veronderstelling dat het hof de uit de exploitatie-overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet – voor zover art. 3:84 lid 2 BW Pro daartoe ruimte laat – conform de Haviltex-maatstaf heeft vastgesteld. Norma maakt overigens niet duidelijk waarom toepassing van deze maatstaf het hof tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Ook ambtshalve is dat niet in te zien. Dat het hof op grond van het voorgaande Norma’s standpunt heeft afgewezen, is daarmee onjuist noch onbegrijpelijk.
punt 13moet gelden dat het zich richt tegen een door het hof ten overvloede ‘aangeraakte’ – voor zijn oordeel niet beslissende – observatie. Hier is vergelijkbaar wat ik opmerkte in nr. 5.42.8.3 naar aanleiding van onderdeel II.A, punten 2-4.
punt 14aan het slot van middel II heeft geen zelfstandige betekenis.
het tijdstip waaropaan de voormalige wijze van kabeldoorgifte een einde kwam (vanwege de vervanging van de aanlevering door Media Gateway), en wie daaromtrent de stelplicht en de bewijslast draagt.
punt 2) onvoldoende begrijpelijk is waarom het hof de repartitieverplichting in de exploitatie-overeenkomsten niet aldus begrijpt dat de verplichting zich mede uitstrekt tot aanspraken over het verleden (m.b.t. inbreuken op naburige rechten van rechthebbenden die voor 11 december 2006 geen exploitatie-overeenkomsten met Norma hebben gesloten op grond van inbreuken die hebben plaatsgevonden voordat die overeenkomsten zijn gesloten (de door het hof zo genoemde ‘categorie B-inbreuken’));
punt 3) het hof heeft een onjuiste uitleg gegeven aan art. 14a lid 4 WNR;
punt 4) van rechthebbenden verlangen dat ze Norma om afdracht verzoeken is in strijd met de strekking en het stelsel van de WNR;
punt 5) indien wordt aangenomen dat de aanspraken inderdaad al zijn vervallen, brengt het ontbreken van een wettelijke plicht niet (zonder meer) mee dat Norma de vorderingsrechten niet zou mogen uitoefenen; en
punt 6) de redenering van het hof dat betaling van eventuele geïncasseerde vergoedingen onverschuldigd zou zijn, is onvoldoende gemotiveerd, nu niet iedere onverplichte betaling tot een onverschuldigde betaling leidt.
Punt 2bestrijdt de uitleg van een overeenkomst. De juistheid van die uitleg komt in cassatie niet voor toetsing in aanmerking, terwijl het oordeel vervlochten is met overwegingen van feitelijke aard. Dat gezegd zijnde, kan niet worden volgehouden dat de uitleg onbegrijpelijk is, ook niet in het licht van de tweede volzin van rov. 6.7, omdat die deeloverweging, zoals uit de eerste volzin van rov. 6.7 kan worden opgemaakt, betrekking heeft op het – in gegeven gevallen –
bestaanvan een repartitieverplichting.
punt 3gaat ervan uit dat de vervalbepaling van art. 14a lid 4 WNR alleen betrekking heeft op door Norma geïnde gelden, terwijl Norma’s vordering ziet op nog niet geïnde gelden. Die veronderstelling is onjuist. Volgens de tekst van art. 14a WNR begint de vervaltermijn te lopen vanaf de heruitzending, en niet vanaf het moment waarop de gelden worden geïnd. Dit komt nog duidelijker tot uitdrukking in de tekst van art. 9, lid 2 in fine van de SKRl (waarbij de WNR heeft willen aansluiten):
punt 4doet Norma in de cassatiedagvaarding mede een beroep op feiten en omstandigheden die te maken hebben met de aard van een rechtspersoon als bedoeld in art. 14a lid 1 WNR. Om in cassatie geoorloofd te zijn, dient een klacht zonder nader onderzoek van feitelijke aard te kunnen worden beoordeeld en dienen de daartoe benodigde feiten en omstandigheden in feitelijke instantie te zijn gesteld [50] . Norma heeft niet aangegeven waar zij de betreffende stelling in de stukken van het geding heeft betrokken. Om die reden voldoet deze cassatieklacht niet aan de eraan te stellen eisen [51] .
punt 5gaat langs de kern van ’s hofs oordeel in rov. 6.8 heen. Het hof heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de mogelijkheid dat Norma schade heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van categorie B-inbreuken aannemelijk is, omdat op Norma geen verplichting rust om eventueel ontvangen bedragen aan de rechthebbenden af te dragen. Zou Norma, zoals de klacht wil, eventuele vorderingsrechten mogen uitoefenen, dan zal dat niet tot gevolg hebben dat er wél een verplichting tot afdracht in het leven wordt geroepen.
punt 6mist Norma belang. Ook indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat één of meer onverplichte betalingen door Norma aan de rechthebbenden niet kwalificeren als onverschuldigde betalingen, heeft het oordeel van het hof een toereikende grondslag in het gegeven dat op Norma geen verplichting tot afdracht rust. Een onverplichte betaling brengt daar geen verandering in: daarmee is nog geen grondslag voor een claim wegens schadevergoeding aanwezig. Men mag hierbij niet uit het oog verliezen dat een verbintenis tot schadevergoeding steeds een daartoe nopende rechtsgrond veronderstelt. Ook wanneer Norma bereid zou zijn uitkeringen te doen aan rechthebbenden zonder daartoe verplicht te zijn, kan niet als onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd gelden dat NLKabel c.s. niet verplicht zijn voor Norma’s zodanige uitkeringen op te komen, wanneer het bestaan van
daardooraan Norma veroorzaakte schade onaannemelijk is en Norma tot de bedoelde uitkeringen niet rechtens is gehouden [52] .
punt 7) behoeft geen afzonderlijke bespreking.
6. Bespreking van het incidentele cassatieberoep
i.a) hebben NLKabel c.s. voldoende gesteld, en heeft Norma onvoldoende betwist, dat de praktijk van rechtenoverdracht zodanig is dat uitvoerende kunstenaars (vrijwel) altijd de hier relevante naburige rechten aan producenten van filmwerken overdragen? dan wel
i.b) biedt het wettelijk vermoeden van overdracht als bedoeld in art. 4 WNR Pro / art. 45d Aw op zichzelf een voldoende vangnet, los van bevestigende beantwoording van vraag i.a?;
ii) indien vraag i.a dan wel vraag i.b bevestigend beantwoord wordt, staan de door Norma gestelde overdachten van rechten aan haar (via de (Norma-) exploitatieovereenkomsten) dan niet in de weg aan de onder i.a. en i.b bedoelde vormen van overdracht aan de producent?
iii) brengt (aangenomen) overdracht aan filmproducenten de op de voet van i.a dan wel i.b mee dat Norma haar rechtspositie ex art. 14a WNR verliest?
iv) zijn in deze procedure uitsluitend filmwerken aan de orde?
d
dis het centrale artikel van de bijzondere bepalingen over de filmwerken.[…] Door een
wettelijk veronderstelde overdrachtvan rechten – die uitsluitend door een schriftelijke andere overeenkomst buiten toepassing kan worden gesteld – geldt de producent als auteursrechthebbende met betrekking tot de ‘normale’ exploitatie van het filmwerk. Artikel 45
dgeldt echter niét ten aanzien van de makers van de
oeuvres préexistantes[…], en ook niet ten aanzien van de componisten en tekstdichters van de filmmuziek.
bisBC een dergelijke voorziening te hunnen voordele werd opgenomen. De tegenlobby van de niet minder goed georganiseerde muziekauteursrechtenbureaus, samenwerkend in de CISAC, zorgde ervoor dat de componisten en tekstdichters daarbij buiten schot gelaten werden. De uitgeverslobby redde de belangen van de auteurs van de
oeuvres préexistantesen hun rechtverkrijgenden (zijzelve).
bisBC wel praktisch. Het verdient bovendien waardering dat ruimte werd gelaten voor diverse constructies waarmee de nationale wetten de minimumbevoegdheden voor de filmproducenten konden doorvoeren. Daarbij werd rekening gehouden met diverse constructies, die tevoren al in verschillende landen (niet: Nederland) in wettelijke regelingen van het filmauteursrecht waren neergelegd.
bisBC laat de nationale wetgevers de keuze tussen de volgende stelsels:
Film Copyright, volgens hetwelk krachtens wetsbepaling (wetsfictie) de producent geldt als maker van resp. als auteursrechthebbende op het filmwerk, met uitsluiting van anderen; dit stelsel was bekend uit GrootBrittannië;
cessio legis: dit stelsel gaat uit van auteursrechten van de makers volgens algemene auteursrechtelijke regels, doch de exploitatierechten komen van rechtswege toe aan de producent, zonder de mogelijkheid van een afwijkend beding; dit was het in o.a. Italië en Oostenrijk vigerende stelsel;
présomption de cession: het hierboven reeds aangeduide stelsel dat in art. 45
dAw is neergelegd, en dat reeds bestond in Frankrijk en Duitsland;
présomption de légitimation: vergelijkbaar met de présomption de cession, met dien verstande dat niet een overdracht doch een exclusieve licentie[…] aan de producent verondersteld wordt.
moestechter ingevolge art. 14
bisBC gekozen worden. Daarbij geeft lid 3 van het artikel nog de vrijheid aan de nationale wetgever om de gekozen regeling niet van toepassing te laten zijn (en dus ‘alles bij het gewone te laten’) ten aanzien van: de componisten en de tekstdichters van de muziek, de auteurs van scenario’s en dialogen, en degene die bij het tot stand brengen van het filmwerk de leiding heeft (als regel: de voornaamste regisseur).
Ad vraag i.a van nr. 6.4
de praktijk van rechtenoverdracht zodanig is dat uitvoerende kunstenaars (vrijwel) altijd de hier relevante naburige rechten aan producenten van filmwerken overdragenmeermalen (gemotiveerd) naar voren gebracht [53] .
hiertegen [60] door Norma ingenomen standpunt komt, gelet op nr. 10.4 (e.v.) van haar schriftelijke toelichting, erop neer dat dit verweer van de kabelaars niet relevant is voor de (inbreuk-)vorderingen, omdat de kabelaars in feitelijke instanties niet concreet en onder overlegging van verificatoire bescheiden hebben gesteld van wie zij over toestemming beschikken om naburige rechten te gebruiken; er zou geen sprake zijn van gestelde feiten als bedoeld in art. 149 lid 1 Rv Pro.
i.a, dat NLKabel c.s. voldoende gesteld hebben, en dat de weerspreking daarvan door Norma onvoldoende geoordeeld moet worden.
i.ain het midden kunnen blijven, indien blijkt dat de in dit opzicht alternatieve stellingname
i.bvan NLKabel c.s. opgaat. Daarover thans.
Ad vraag i.b van nr. 6.4
op grond van het wettelijk vermoeden van overdracht als bedoeld in art. 4 WNR Pro jo. art. 45d Aw, meer dan eens (gemotiveerd) naar voren gebracht [61] . Het gaat hier overigens om een rechtskwestie.
onder (a)weergegeven argumentatie miskent vooreerst dat er geen rechtsregel is die zich ertegen verzet dat een wegens een inbreuk op andermans goed aangesproken partij niet als (primair, zelfs ‘exceptief’) verweer naar voren zou mogen brengen dat – wat er zij van de eventuele inbreuk – de eisende partij geen rechthebbende met betrekking tot dat goed is.
Schutznorm-verweer (dat art. 45d Aw / art. 4 WNR Pro niet strekt tot bescherming van de kabelaars) gaat dan ook niet op. Dat het eigendomsrecht primair in het belang van de eigenaar gegeven is, versteekt zelfs de vermeende clandestiene plukker van vruchten uit een boomgaard niet van het verweer dat de eiser niet de eigenaar (c.q. pachter) van de boomgaard is.
bovendiendat de kabelaars zich nu juist wél beroepen op toestemming van degenen zie volgens de kabelaars rechthebbenden zijn: zie nader nr. 6.7.5.
argument (b), erop neerkomend dat de kabelaars (zelfs) niet zouden hebben gesteld geen toestemming meer van Norma nodig te hebben omdat zij toestemming hebben van de producenten, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik verwijs naar nr. 6.6.2.
argument (c), dat in het kader van de
art. 14a WNR-grondslag voor haar vorderingen, de vraag bij wie de naburige rechten precies liggen niet ter zake is, nu het hof heeft vastgesteld dat zij een rechtspersoon (CBO) in de zin van dat artikel is, die naburige rechten tegenover kabelexploitanten kan uitoefenen, ongeacht of de rechthebbenden haar wel of niet opdracht tot belangenbehartiging hebben verleend, kan haar evenmin baten.
(d)weergegeven ampele nadere argumentatie heeft betrekking op de grondslag van
aan haar (Norma) overgedragen rechten.
aan Normaheel iets anders dan het
‘anders overeenkomen’ met de producent, in de zin van art. 45d Aw. Daarom kan een levering bij voorbaat (van rechten op toekomstige uitvoeringen in het algemeen) door de uitvoerende kunstenaar aan Norma – anders dan Norma stelt [64] – niet afdoen het (lex specialis-) stelsel van art. 45d Aw / art. 4 WNR Pro. Daarom wordt een levering bij voorbaat door de uitvoerende kunstenaar aan de producent (na een levering bij voorbaat van rechten op toekomstige uitvoeringen in het algemeen) aan Norma, ook niet door art. 3:97 lid 2 BW Pro getroffen [65] .
van rechtswege [69] op de producent doet overgaan, zodat een leveringshandeling niet aan de orde is [70] . Door de overgang van rechtswege is een ‘overdracht onder opschortende voorwaarde’ niet aan de orde, zo min als palavers over het moment van overdracht [71] , [72] . Voor de maker / uitvoerende kunstenaar die niet gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om met de producent schriftelijk anders overeen te komen [73] , is er van beschikkingsbevoegdheid geen sprake meer, en kan (bij een levering bij voorbaat van rechten op toekomstige uitvoeringen in het algemeen aan Norma) het ‘nemo plus’-beginsel door Norma juist niét tegen de producent, en door de producent juist wél tegen Norma ingeroepen worden [74] .
in algemene zingepretendeerde legitimaties (art. 14a WNR respectievelijk individuele rechtenoverdrachten aan haar, Norma), terwijl individuele kunstenaars en individuele door de WNR beschermde items ongenoemd zijn gebleven. Daarom, zo vervolgde ik, mochten NLKabel c.s. daartegen verweer voeren door die door Norma gestelde legitimaties in even algemene zin te weerspreken. Ook dáárom gaat Norma’s stellingname
(d), waarin zij claimt dat NLKabel c.s. wél ‘man en paard’ zouden moeten noemen, niet op. Dat NLKabel c.s. zich ten verwere (mede) op art. 4 WNR Pro / art. 45d Aw jo. hebben beroepen, verandert daar niets aan.
i.a, meen ik met betrekking tot kwestie
i.b, dat NLKabel c.s. voldoende gesteld hebben, en dat de weerspreking daarvan door Norma onvoldoende geoordeeld moet worden.
Ad vraag ii van nr. 6.4
i.a), of via het wettelijk vermoeden van art. 4 WNR Pro in verbinding met art. 45d aan filmproducenten toekomen (kwestie
i.b), betekent nog niet dat incidenteel onderdeel 2 reeds daarom slaagt.
i.arespectievelijk
i.bbedoelde daadwerkelijke dan wel wettelijk veronderstelde overdrachten aan filmproducenten.
De beoordeling van deze stelling is thans – als ‘
vraag ii’ – aan de orde. Het gaat (ook) hier om een rechtskwestie.
geenschriftelijke andersluidende overeenkomst in de zin van art. 45d Aw met de producent: in dat geval belet art. 45d Aw een verkrijging door Norma;
wél eenschriftelijke andersluidende overeenkomst in de zin van art. 45d Aw met de producent:
uitsluitendin dat geval kan sprake zijn van een verkrijging door Norma.
i.b) hiertegen opgemerkt dat de kabelaars slechts ‘veronderstellen’ dat Norma niet over enig naburig recht beschikt behoudens voor zover Norma stelt en bewijst ‘dat de uitvoerend kunstenaar en de producent “anders overeengekomen zijn” als bedoeld in art. 45d Aw – dus, dat de uitvoerend kunstenaar zijn (her)uitzendrechten van art. 2 lid 1 sub d WNR Pro niet overdraagt, maar voorbehoudt’. Door zich slechts te beroepen op zo’n veronderstelling, leggen de kabelaars niet een werkelijk feit in de zin van art. 149 lid 1 Rv Pro. aan dit verweer ten grondslag, maar slechts hypotheses. De incidentele cassatieklachten moeten, aldus Norma, (reeds) falen bij gebrek aan belang: omdat de betwisting van Norma’s inningsbevoegdheid niet is gegrond op gestelde feiten als bedoeld in art. 149 lid 1 Rv Pro., kan die betwisting niet tot afwijzing van de vorderingen leiden.
ii) steeds duidelijker het volgende dilemma af.
met ‘mannen en paarden’per (her-)uitzending aantoont:
met ‘mannen en paarden’per (her-)uitzending aantoont dat het gaat om:
altijdprevaleert boven het door de kabelexploitanten ingeroepen art. 4 WNR Pro / art. 45dAw-systeem.
altijdprevaleert boven het door Norma beleden systeem.
als uitgangspunt. Na die ‘generale’ keuze ligt dan in de ‘uitvoeringsfasen’ de geconcretiseerde stelplicht en eventuele bewijslast op de – volgens die keuze – daarmee belaste partij.
(1)en/of
(2)doorgaans de meest waarschijnlijke acht en alternatief
(3)het minst waarschijnlijke; of dat het anders is. Over die
kwantitatieve waarschijnlijkheidsverhoudingzou de rechter – na vernietiging en verwijzing van het hier bestreden arrest – zich dus moeten uitspreken, zo nodig na nadere bewijsvoering dááromtrent. Van de uitkomst dáárvan zou – in de ‘uitvoeringsfasen’ – de stelplicht en bewijslast ten aanzien van Norma’s legitimatie bij haar daadwerkelijke aanspraken wegens (her-)uitzending afhangen.
Ad vraag iii van nr. 6.4
i.a,
i.ben
iiin het voordeel van het standpunt van NLKabel c.s., is nog niet gezegd dat het incidentele middelonderdeel 2 slaagt. Aan de orde is thans
vraag iii(van nr. 6.4): brengt (aangenomen) overdracht aan filmproducenten de op de voet van
i.adan wel
i.bmee dat Norma haar rechtspositie op basis van art. 14a WNR verliest?
‘In het geval de richtlijnwetgever had gewild dat geen collectieve uitoefening van het kabeldoorgifte recht zou hoeven plaatsvinden in het geval de rechten overgedragen worden aan producenten, dan had het voor de hand gelegen dat dit expliciet in de richtlijn was opgenomen, zoals dat is gebeurd ten behoeve van omroeporganisaties in art. 10 van Pro de SatKabRichtlijn. Dat is echter niet gebeurd. Dat betekent dat het recht om toestemming te verlenen voor doorgifte via de kabel uitsluitend door een CBO kan worden uitgeoefend.’
iiikan dus niet aan gegrondbevinding van het incidentele cassatiemiddel 2 in de weg staan.
Ad vraag iv van nr. 6.4
ivof het in deze zaak alleen gaat om filmwerken (waarvoor het stelsel van art. 4 WNR Pro / art. 45d Aw geldt) of ook om andere objecten (waarvoor dat stelsel niet geldt).
fonogrammen. Daarvoor is geen toestemming van de naburig rechthebbenden nodig, maar wél een ‘billijke vergoeding’ verschuldigd. Voor het incasseren van die billijke vergoeding is evenwel krachtens art. 15 WNR Pro een andere organisatie dan Norma exclusief aangewezen: de stichting Sena.
nietgebruik gemaakt wordt van een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram en ook
nietvan (de soundtrack van) een filmwerk. Andersom gezegd, zal het gaan om weinig meer dan: kabel(her-)uitzending van studio-opnamen die niet tot een zo’n fonogram hebben geleid, van amateuropnamen, en van
live-optredens van uitvoerende kunstenaars binnen of buiten de studio.
kwestie ivtot het volgende. Bij vernietiging op basis van dit middelonderdeel, zal het hof waarnaar verwezen wordt, bij de verdere beoordeling en afdoening afzonderlijk rekening moeten houden met de hier bedoelde ‘radio-rechten’. Maar de omstandigheid dat daarmee rekening gehouden moet worden, staat niet aan de gegrondbevinding van middelonderdeel 2 in de weg.
onderdeel 1.1formuleert tegen rov. 6.2 en 6.7 van het hof de rechtsklacht dat het hof miskend zou hebben dat op Norma de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van de stelling dat de kabelexploitanten vóór 11 december 2006 hebben ‘
heruitgezonden’.
uit de ether opgevangensignalen plaatsvond. Vervolgens heeft het hof zich over de stellingen van de kabelaars gebogen. Het hof zag daarin een toereikende betwisting van de gestelde doorgifte van
uit de ether opgevangensignalen gedurende de periode na de ‘switch-off’ (vgl. de laatste volzin van rov. 6.2), maar niet van de periode ervóór (vgl. derde en vierde volzin: volgens het hof hebben de kabelaars (alléén) gezegd dat dit zich niet meer voordoet).
Onderdeel 1.2bevat de motiveringsklacht dat uit het partijdebat in feitelijke instanties niet blijkt dat de kabelexploitanten een publiek toegankelijk signaal hebben opgevangen en doorgegeven tussen 15 september 2005 en 11 december 2006, laat staan dat dit doorgeven (heruitzenden) ook op uitvoeringen van bij Norma aangesloten uitvoerend kunstenaars betrekking had.
Onderdeel 1.3klaagt dat het hof Norma’s vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat niet had mogen toewijzen. Volgens NLKabel c.s. was er geen grond voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, omdat het hof niets heeft vastgesteld omtrent de grondslag van de aansprakelijkheid voor de schade, in casu: de vraag welke kabelexploitant door middel van welke heruitzending inbreuk heeft gemaakt op welke resp. wiens rechten. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
kunnenzijn voor schadevergoedingsaanspraken zijdens Norma(-aangeslotenen) voor wat ik in navolging van het hof kortheidshalve aanduid als ‘categorie A-inbreuken’. Des ja, aldus het hof (rov. 6.7),
voor zover(aldus kennelijk rov. 6.2) er sprake is geweest van (hier relevante) secundaire openbaarmakingen door één of meer van de aangesproken kabelexploitanten tussen 1 september 1996 en 11 december 1996.
onderdeel 1.3naar voren wordt gebracht – dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad onder meer is vereist dat de grondslag voor de aansprakelijkheid in de hoofdprocedure wordt vastgesteld [84] . Dit vereiste houdt in dat de rechter moet vaststellen dát en op grond waarvan de tot vergoeding van schade veroordeelde partij aansprakelijk is [85] .