Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
Middel Iricht zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 5) dat de wijziging van het pensioenreglement instemmingsplichtig is op grond van art. 27 lid 1 sub a WOR Pro. Het middel omvat de rechtsklacht dat een wijziging van een pensioenverzekering niet onder dit instemmingsrecht valt, als die ziet op de (hoogte van de) pensioengrondslag, aangezien dat een primaire arbeidsvoorwaarde is. Althans is volgens de klacht rov. 5 onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen van de OR in feitelijke aanleg dat het voorgestelde besluit een primaire arbeidsvoorwaarde betreft. De OR voert met deze klacht aan dat de door Stena Line voorgenomen wijziging van het pensioenreglement een wijziging van een primaire arbeidsvoorwaarde betreft en dat uit de parlementaire geschiedenis van de WOR blijkt dat het niet de bedoeling is geweest van de wetgever aan de OR een instemmingsrecht te geven met betrekking tot de vaststelling of wijziging van primaire arbeidsvoorwaarden. Het is blijkens de cassatieschriftuur onder 4 geïnspireerd door HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4770, JAR 2000/86, alsook de wetsgeschiedenis en literatuur aangeduid in noot 3 van de conclusie van A-G Mok voor dit arrest. Voorts wordt verwezen naar P.F. van der Heijden (bew.), Rood’s Wet op de ondernemingsraden, 2004, aant. 6, 7 en 8 op art. 27 WOR Pro (p. 340/2) en J. van Drongelen en S.F.B. Jellinghaus, Collectief Arbeidsrecht 1 Wet op de ondernemingsraden, 2008, p. 210/220).
Onderdeel (a)klaagt dat bij de beoordeling in het kader van art. 27 lid 4 WOR Pro alle omstandigheden van het geval betrokken dienen te worden en dat het hof in rov. 6 onvoldoende kenbaar aandacht heeft besteed aan de argumenten van de OR voor de weigering van het verzoek tot instemming in de zin van art. 27 WOR Pro.
Onderdeel (b)klaagt dat het hof zijn oordeel, dat de OR de lezing die Stena Line heeft gegeven aan de ontstaansgeschiedenis van de zinsnede “overeengekomen vaste uitkeringen”
niet gemotiveerd bestreden heeft, onvoldoende gemotiveerd heeft in het licht van de inhoud processtukken (alinea 9 en 10 verweerschrift).
nietovergenomen. Bij memorie van antwoord heeft de regering daarover opgemerkt [11] :
geenprimaire arbeidsvoorwaarde betreft en instemmingrechtplichtig is, in het geval er geen overeenstemming over deze kwestie met de bonden is bereikt. Dat is één op één toepasselijk op de onderhavige zaak en is precies wat het hof heeft overwogen in rov. 5. Middel I valt dit aan met de stelling dat een dergelijke grondslagwijziging buiten het instemmingsrecht valt, omdat het (wel) een primaire arbeidsvoorwaarde betreft.
helemaal uitde instemmingsrechtplicht te halen (ook voor een geval als het onderhavige, waarin geen cao-regeling voorligt, hoewel dat wel is beproefd). Die keuze kan men maken (en veronderstelt, zo zal duidelijk zijn, dat juist is dat pensioenregeling is verschoven van secundaire naar primaire arbeidsvoorwaarde, mijns inziens nog geen uitgemaakte zaak, men kan daar licht over van mening verschillen). Het is wel de vraag of de rechtsvormende taak van de Hoge Raad daarvoor de aangewezen weg is, of dat dit typisch het terrein van de wetgever betreft. Dat klemt te meer, nu destijds duidelijk is gekozen voor handhaving van het instemmingsrecht voor pensioenverzekeringsregeling-(swijzigingen), ondanks parlementair pleidooi van PvdA-zijde om dit als onderhandelingen over primaire arbeidsvoorwaarden daar buiten te laten. Het zou ook het hiaat laten, dat de wetgever nu juist heeft willen dichten, namelijk dat bij gebreke van kort gezegd cao-matige overeenstemming over wijziging van een pensioenverzekeringsregeling door het buiten het instemmingsrecht houden geen werknemersparticipatie is gewaarborgd.
recente wetgeving en beantwoording van Kamervragenblijkt dat de heersende opvatting van de wetgever is dat het instemmingsrecht van de OR over pensioenverzekeringsregelingen springlevend is. Ik wijs op beantwoording door minister Kamp van Kamervragen van het lid Omzigt (CDA) van 17 april 2012 [20] :
middel II, uiteenvallend in
onderdelen (a) en (b)aan de orde. Hoe moet worden beoordeeld of een instemmingsweigering van de OR
onredelijkis in de zin van art. 27 lid 4 WOR Pro?
onredelijkis of bepaalde
zwaarwegende omstandighedenhet besluit vergen. Dat zijn twee alternatieve routes.
middel II onderdeel (a)niet slagen.
middel II sub (a)slaagt wel. Het hof lijkt niet kenbaar toegekomen te zijn aan de alternatieve route van de zwaarwegende bedrijfseconomische en/of bedrijfssociale belangen en plaatst zijn oordeel in rov. 6 zo te zien in de belangenafweging van art. 27 lid 4 WOR Pro. Die moet op de speciale wijze geschieden als aangegeven in 2.22. Althans is uit de overweging niet exact te halen welk spoor (belangenafweging, of zwaarwegende bedrijfseconomische of bedrijfssociale belangen) het hof heeft bewandeld. Het onderdeel voert terecht aan dat de in rov. 6 genoemde omstandigheden “ongetwijfeld een rol spelen” en dat die in concreto zelfs de doorslag kunnen geven, maar dat dat niet wegneemt dat de argumenten van de ondernemer moeten worden afgewogen tegen die van de OR en dat dat niet – voldoende kenbaar – is gebeurd. De argumenten (appelverweerschrift onder 9 t/m 16, pleitaantekeningen onder 4 t/m 7) van de OR worden niet eens genoemd. Dat kan niet.
nderdeel (b) van middel IImoet mijns inziens falen. De klacht ziet op de aanname in rov. 6 van de ontstaansgeschiedenis van de reglementsbepaling “overeengekomen vaste uitkeringen” als
niet gemotiveerd bestreden, terwijl dit wel bestreden is bij verweerschrift onder 9 en 10. Daarin staat, kort gezegd, dat de huidige OR-leden verschillen van de OR-leden uit het verleden, kennis van vakbonden niet aan de OR kan worden toegerekend en dat het standpunt dat de ORT niet onder de pensioengrondslag viel niet met de OR is gedeeld of besproken.
inhoudelijk/feitelijkzijn weersproken (een vorm van niet gemotiveerd bestrijden), maar alleen met formele argumenten verkort weergegeven in 2.28. Dat is niet onbegrijpelijk en overigens als uitleg van gedingstukken voorbehouden aan het hof als feitenrechter.