Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.Beoordeling van het cassatieberoep
Artikel 23
D. (Verrekenposten)
D. Verrekenposten
Informatieblad Lijst der Geldelijke Regelingen Doniawerstal”. [14]
middelvalt uiteen in twee klachten (onder de opschriften “Verzwaring erfdienstbaarheid” en “Opgespoten land”), door mij hierna aangeduid als de onderdelen 1 en 2.
indien de ruilverkaveling leidt tot een erfdienstbaarheid ten behoeve van een grotere hoeveelheid land (die binnen dezelfde klasse blijft) dan in de inbreng, deze omstandigheid geen vergoedingsaanspraak geeft voor de eigenaar van het dienend erf ”(rov. 5 van het tussenvonnis, bevestigd in het eindvonnis).
primaireklacht is voormeld oordeel onjuist indien en voor zover de rechtbank de opvatting is toegedaan dat het ontstaan van de uitgebreide erfdienstbaarheid niet berust op vestiging. Daartoe wordt betoogd dat de verzwaring van de erfdienstbaarheid de facto moet worden beschouwd als de
vestigingvan een nieuwe,
aanvullendeerfdienstbaarheid. Op deze vestiging zijn eenvoudigweg de rekenregels als vermeld op p. 17 van het informatieblad van toepassing. Uit de stellingen waarnaar wordt verwezen [15] in verband met de tekst van het bezwaarschrift [16] leid ik af dat het onderdeel betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van vestiging van een (aanvullende) erfdienstbaarheid ten behoeve van een achterland van 8,5 hectare, waaraan [eiser] een aanspraak op (vestigings)vergoeding ontleent.
geregeld(dat wil zeggen: vervangen door nieuwe) of
opgeheven(art. 160 lid 1 Liw Pro). Ook kunnen nieuwe erfdienstbaarheden worden
gevestigd(art. 160 lid 2 Liw Pro). [17] De regeling van de financiële gevolgen van de opheffing, wijziging of vestiging wordt in de LGR opgenomen (art. 212 lid Pro 1, onder onder c-3º Liw). [18] In het licht van deze wettelijke driedeling geeft de rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting door verzwaring van een voor de ruilverkaveling reeds bestaande erfdienstbaarheid niet aan te merken als een zelfstandige vestiging van een nieuwe, aanvullende erfdienstbaarheid. [19]
verzwaringvan een bestaande erfdienstbaarheid met 8,5 hectare evenzeer een vergoedingsaanspraak bestaat. De klacht wordt aldus toegelicht (s.t. onder 17) dat een andere opvatting zou leiden tot een niet te rechtvaardigen onderscheid: de eigenaar van een reeds met een erfdienstbaarheid belast erf zou bij verzwaring geen aanspraak op vergoeding hebben, terwijl de eigenaar van een nog niet met een erfdienstbaarheid belast erf bij vestiging van een nieuwe erfdienstbaarheid voor een nadeel van dezelfde omvang wel compensatie ontvangt.
“de rekenregels uit het informatieblad”kunnen worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 RO Pro. Het gaat hierbij klaarblijkelijk om een voor het publiek bestemde (vereenvoudigde) weergave van de Aanwijzingen voor de tweede schatting zoals die naar eigen zeggen van de Landinrichtingscommissie door haar zijn vastgesteld ter uitwerking van de door de Minister vastgestelde Nadere regels. [20]
Informatieblad Lijst der Geldelijke Regelingen” (p. 28) dat het gaat om een uitgave van augustus 2008 onder verantwoordelijkheid van de Landinrichtingscommissie. Het informatieblad is gericht aan de belanghebbenden bij de ruilverkaveling (p. 5). Hoewel de wijze van verspreiding niet door partijen is toegelicht, kan uit het informatieblad worden afgeleid dat deze is geschied door toezending. [25]
“(g)eoordeeld moet worden dat de Landinrichtingscommissie daarmee in voldoende mate aan de bezwaren van [eiser] tegemoet gekomen is”(rov. 7 van het tussenvonnis, bevestigd in het eindvonnis). Ter inleiding benadrukt het middelonderdeel dat de aanbeveling van de door de Landinrichtingscommissie ingeschakelde deskundige Alterra luidt “
het verbeteren van drainage en het mengwoelen of spitten tot ca. 40 cm – mv.”, dat eerder de door [eiser] ingeschakelde deskundige Aequator heeft aanbevolen om over te gaan tot “
bodemverbetering”, en dat in de pleitnota d.d. 28 januari 2011 namens [eiser] (p. 5/6) erop is gewezen dat beide deskundigen adviseren om over te gaan tot grondverbeteringswerkzaamheden.
primaireklacht luidt dat het bestreden oordeel onjuist is voor zover de rechtbank zich geen rekenschap ervan heeft gegeven dat [eiser] ingevolge art. 148 Liw Pro (in beginsel) aanspraak heeft op een toedeling die (min of meer) gelijkwaardig is aan de inbreng. [27] Nu het opgespoten land zou moeten worden verbeterd om tot zodanige gelijkwaardigheid te geraken, heeft [eiser] volgens de klacht (in beginsel) recht op de daartoe vereiste maatregelen.
4.Conclusie
- niet-ontvankelijkverklaring van eisers in hun cassatieberoep tegen het tussenvonnis van 30 maart 2011, en
- verwerping van het cassatieberoep tegen het eindvonnis van 4 juli 2012.