Conclusie
4.De bewijsvoering
5.Inleidende opmerkingen
6.Het tweede, derde, vierde en vijfde middel
tweede middelheeft betrekking op de onder 1, tweede cumulatief/alternatief, bewezenverklaarde poging tot moord door middel van wurging. Hiertoe is aangevoerd dat het oordeel van het Hof dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood ten aanzien van dit feit ontoereikend is gemotiveerd, nu het Hof niet heeft vastgesteld dat en hoe lang de adem van aangeefster is benomen. Het middel faalt reeds omdat ook een kortdurende poging tot wurging een handeling oplevert die naar haar uiterlijke verschijningsvorm is gericht op de dood, zodat het Hof daaruit het opzet heeft kunnen afleiden. Daar komt dan nog bij dat het Hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte bezield werd door dezelfde geestesgesteldheid als waarmee hij kort daarvoor de klappen met de hamer uitdeelde.
derde middelklaagt dat het onder 2, eerste cumulatief/alternatief bewezenverklaarde, meer in het bijzonder het “met kracht” met een paraplu tegen het hoofd van [betrokkene 1] slaan, niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het middel faalt omdat het Hof uit de verklaring van de aangeefster dat verdachte met een paraplu tweehandig op haar begon in te slaan en dat zij de slagen met haar armen probeerde af te weren, heeft kunnen afleiden dat het slaan met kracht geschiedde.
vierde middelklaagt dat het onder 2, eerste cumulatief/alternatief bewezenverklaarde bestanddeel opzettelijk niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Hiertoe is aangevoerd dat de kans dat de betrokkene door het slaan met een paraplu op het hoofd overlijdt op zich niet aanmerkelijk genoemd kan worden, terwijl het Hof niets heeft vastgesteld over de ernst van het op dat moment reeds bestaande hoofdletsel. Die klacht mist feitelijke grondslag aangezien uit bewijsmiddel 8 blijkt dat aangeefster onder meer een schedelbreuk had waarbij een stuk van het schedelbot naar binnen was gedrukt richting hersenweefsels. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat dit letsel het gevolg was, niet van het slaan of steken met de paraplu, maar van het daaraan voorafgaande slaan met de hamer op het hoofd van aangeefster.
vijfde middelklaagt dat het Hof het verslag van de deskundige D. Botter heeft gedenatureerd, nu het een oordeel van de deskundige heeft weergegeven zonder daarbij de vraag te vermelden waarop dat oordeel een antwoord was. Die klacht faalt omdat het weergegeven oordeel niet inhoudt dat aangeefster steekletsel in het hoofd had, terwijl de eventuele suggestie dat dit wel het geval was, wordt weggenomen door de (weergegeven) opbouw van het rapport, waarin een duidelijke scheiding wordt gemaakt tussen het geconstateerde letsel en de interpretatie en beoordeling daarvan. Uit de samenvatting van het bekomen letsel in de bewijsoverwegingen van het Hof – waarin geen melding wordt gemaakt van steekletsel in het hoofd – blijkt dat het Hof de gewraakte zinsnede inderdaad niet in de in het middel bedoelde zin heeft verstaan.
7.Het eerste middel
Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet, zoals hierboven ook is weergegeven, komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het hierboven aangeduide strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.”