Conclusie
eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de oproeping in hoger beroep (ik begrijp: voor de terechtzitting van 3 november 2004) rechtsgeldig is betekend, onjuist is, nu het Hof heeft verzuimd bij de gemeente navraag te doen of de betrokkene bij zijn vertrek de voor uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd, zodat het Hof niet heeft kunnen aannemen dat er geen vaste woon-of verblijfplaats van de betrokkene in het buitenland bekend was.
tweede middel- dat mede gezien de toelichting daarop klaagt dat uit de (onvolledige) betekeningsstukken niet blijkt dat de verstekmededeling binnen een jaar na ’s Hofs arrest is betekend en dat het Openbaar Ministerie heeft nagelaten ten minste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling te betekenen, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden - is gegrond. Immers, van een betekening van de verstekmededeling op de wijze als bedoeld in HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.19 onder a en b) blijkt niet uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken. [1]
derde middelklaagt dat het Hof bij de schatting en de vaststelling van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel handelingen heeft betrokken waarvan de betrokkene in de hoofdzaak onherroepelijk is vrijgesproken.