Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
voorlichtende taakvan de R-C: de bevoegdheid om de rechtbank “voor te lichten, door het doen van een voordracht of het geven van een advies”. Vriesendorp [16] benadert dit op vergelijkbare wijze. Hij ziet het doen van een voordracht als deze als een vorm van autonoom optreden in de uitvoering van de toezichttaak van de R-C, waarbij deze optreedt “als verlengstuk van de rechtbank die hem heeft benoemd.” Dit wijst er niet op dat de R-C belanghebbende wordt in de zin van de verzoekschriftprocedure in de procedure die na een dergelijke “voordracht” door de R-C wordt ingeleid. Een R-C in faillissementen is ook gewoon rechterlijk lid van de rechtbank, treedt alleen na zijn benoeming tot R-C in andere rechterlijke hoedanigheid op. De enige gevonden rechterlijke uitspraak hierover [17] leert dan ook dat een R-C in faillissementen geen procespartij (of belanghebbende, zo begrijp ik die uitspraak) kan zijn, instemmend aangehaald door Wessels [18] en mijn ambtgenoot Langemeijer [19] .
adviserenderol. In hoger beroep is de R-C niet betrokken geweest. De conclusie moet zijn dat de R-C niet-ontvankelijk is in cassatie.
rechtmatigemaatregel tot vrijheidsberoving de rechter in het kader van art. 5 EVRM Pro een belangenafweging dient te maken en dient te beoordelen of in het concrete geval het maatschappelijke belang dat is gediend bij de maatregel tot vrijheidsberoving opweegt tegen het persoonlijk belang bij het recht op vrijheid. Een naar nationaal recht rechtmatige maatregel tot vrijheidsberoving is zodoende niet per definitie rechtmatig in de zin van art. 5 EVRM Pro. Daarvan is pas sprake wanneer deze maatregel voldoet aan de proportionaliteit- en subsidiariteitstoets [22] . Ook een faillissementsgijzeling dient daaraan te voldoen om aangemerkt te kunnen worden als een rechtmatige maatregel tot vrijheidsberoving [23] . Met betrekking tot de toetsing van een faillissementsgijzeling aan de procedurele eisen van art. 5 EVRM Pro is in HR 2 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4705, NJ 1984, 306 geoordeeld dat de rechter een maatregel tot vrijheidsberoving in een faillissementsprocedure (zowel in het kader van art. 87 als Pro art. 89 Fw Pro)
altijdmoet onderwerpen aan een belangenafweging, waarbij de rechter het recht op persoonlijke vrijheid van de gefailleerde moet afwegen tegen de bij de inbewaringstelling betrokken belangen [24] . De in onderdeel I verdedigde stelling dat een maatregel tot vrijheidsberoving die voldoet aan de nationale procedurele eisen niet meer onderworpen mag worden aan een belangenafweging in het kader van art. 5 EVRM Pro, is dan ook onjuist.
allevereiste inlichtingen aan de curator te verschaffen, nu de wel verschafte inlichtingen niet volledig zijn, waardoor het hof het stok-achter-de-deur karakter van het gijzelingsmiddel miskent. Het feit dat de plicht tot het verschaffen van volledige inlichtingen is verzaakt, behoort volgens het onderdeel als vertrekpunt zwaar te wegen, althans zwaarder dan de (eventuele) mogelijkheid voor de curator om op andere wijze aan de gegevens te komen die hem niet conform de inlichtingenplicht van de (bestuurder van de) failliet zijn verschaft. Deze algemene klacht is vervolgens uitgewerkt in drie subonderdelen.
Subonderdeel III.Ais gericht tegen het element dat de curator volgens het hof zelf initiatief had kunnen nemen om derden te benaderen om de gewenste inlichtingen te bemachtigen, nu dat een te grote relativering van de verplichting ex art. 105 jo Pro. 106 Fw is.
Subonderdeel III.Bkeert zich tegen de gedachte dat de curator (minder ingrijpende) rechtsmaatregelen tegen [verweerster] had kunnen treffen, zoals haar in rechte aanspreken voor een toelichting op opgenomen contanten en de ontstane rekening-courantschuld en procedures ex art. 2:248 lid 2 BW Pro. Dit is volgens het onderdeel een miskenning van de met die alternatieven gemoeide inspanning, tijd en kosten in relatie tot de daarmee gemoeide inspanning, tijd en kosten wanneer de bestuurder van de failliet wel aan haar inlichtingenplicht zou hebben voldaan. Het subonderdeel plaatst ook vraagtekens bij de stelling dat dit reële alternatieven zijn. Ook dit is volgens het subonderdeel een verkeerd vertrekpunt van het hof.
Subonderdeel III.Cklaagt dat de overweging van het hof, in rov. 3.2, 4e alinea, dat zonder nadere verklaring van de zijde van de curator niet valt in te zien dat de grootboekkaarten van 2010 en 2011 niet ook zonder de inbewaringstelling zouden zijn overgelegd, onjuist of ontoereikend gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk is, nu deze stukken pas zijn verschaft nadat [verweerster] in bewaring was gesteld.