ECLI:NL:HR:2013:BZ1065
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep door failliet na overname door curator
In deze zaak verzocht de man, die in staat van faillissement was verklaard, het bedrag te bepalen dat de vrouw aan hem moest voldoen op grond van verrekening volgens hun huwelijkse voorwaarden. Tijdens de procedure nam de curator het geding in hoger beroep over. De man stelde vervolgens cassatieberoep in tegen de beschikking van het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 27 lid 3 van Pro de Faillissementswet de overname van het geding door de curator ertoe leidt dat de failliet buiten het geding wordt gesteld en geen procespartij meer is. Hierdoor is de man niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Dit geldt ook in verzoekschriftprocedures, aangezien de regeling van rechtsvorderingen in de Faillissementswet van toepassing is ongeacht de wijze van procedurele aanvang.
Het feit dat de curator geen bezwaar had tegen het cassatieberoep van de man, maakte dit niet anders. De Hoge Raad verklaarde het beroep van de man niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de exclusieve procespositie van de curator na overname van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de failliet niet-ontvankelijk wegens overname van het geding door de curator.