Conclusie
1.Feiten en procesverloop
non-refoulementvan art. 33 Vluchtelingenverdrag Pro [5] niet kunnen worden teruggestuurd naar de DRC en dat een oplossing voor de detentie van [eiser] c.s. moest worden gezocht in overleg tussen het ICC, de DRC en het gastland Nederland.
inter aliaArticle 21(3) of the Statute, the Court cannot contemplate prolonging their custody indefinitely’. [7]
2.Bespreking van het cassatieberoep
non-refoulement(vgl. art. 33 Vluchtelingenverdrag Pro) de status van
ius cogensheeft [27] , kan een dergelijke verplichting niet worden beperkt door nationaal recht, in casu art. 88 Uitvoeringswet Pro Internationaal Strafhof. Nog daargelaten of het beginsel van
non-refoulementtot het
ius cogenskan worden gerekend, heeft de Staat bij de ratificatie van het Statuut en het Zetelverdrag de op het volkenrecht berustende afweging van belangen gemaakt, namelijk het belang van het functioneren van het ICC en het belang van het waarborgen van mensenrechten. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof blijkt dat onderkend is dat Nederland als gastland van het ICC – het ICC is formeel geen partij bij de mensenrechtenverdragen – ervan moet kunnen uitgaan dat het ICC zich bij de uitoefening van zijn taken als internationaal tribunaal (met internationale rechtspersoonlijkheid krachtens art. 4 Statuut Pro) rekenschap geeft van de mensenrechtensituatie van gedetineerden, ook wat betreft het beginsel van
non-refoulement. [28] Dit is het ICC ook opgedragen in art. 21 lid 3 Statuut Pro:
non-refoulementheeft de Trial Chamber in rov. 64 van zijn uitspraak van 9 juni 2011 het volgende overwogen:
non-refoulement. However, since it does not possess any territory, it is unable to implement the principle within its ordinary meaning, and hence is unlikely to maintain long-term jurisdiction over persons who are at risk of persecution or torture if they return to their country of origin. In the Chamber’s view, only a State which possesses territory is actually able to apply the
non-refoulementrule. Furthermore, the Court cannot employ the cooperation mechanisms provided for by the Statute in order to compel a State Party to receive onto its territory an individual invoking this rule. Moreover, it cannot prejudge, in lieu of the Host State, obligations placed on the latter under the
non-refoulementprinciple. In this case, it is therefore incumbent upon the Dutch authorities, and them alone, to assess the extent of their obligations under the
non-refoulementprinciple, should the need arise’. [30]
non-refoulement, maar dat het uiteindelijk aan gastland Nederland is om de reikwijdte van zijn verplichtingen onder dit beginsel te bepalen. Die verplichtingen worden wat Nederland betreft gewaarborgd in het kader van de behandeling en beoordeling van de asielaanvragen.
onderdelen 1.3 t/m 1.7bouwen voort op de aanname dat [eiser] c.s. onrechtmatig vastzitten binnen de door gastland Nederland aan het ICC ter beschikking gestelde ruimten en dat de Nederlandse rechter de vrijheid heeft de rechtmatigheid van de detentie te beoordelen en zo nodig de Staat kan bevelen [eiser] c.s. over te nemen en in Nederlandse vreemdelingenbewaring te stellen. De klachten, die voornamelijk uit motiveringsklachten bestaan, richten zich vergeefs tegen het zuivere rechtsoordeel van het hof dat Nederland in deze zaak geen rechtsmacht heeft. In rov. 2.2 van het bestreden arrest heeft het hof klaarblijkelijk tot uitdrukking willen brengen dat art. 88 Uitvoeringswet Pro Internationaal Strafhof het hof geen ruimte biedt om vragen rond het gewaarborgd zijn van de mensenrechten van [eiser] c.s. tijdens hun detentie bij het ICC of in de DRC te beantwoorden. Ik volsta te verwijzen naar 2.5 t/m 2.8 van mijn conclusie. Daarbij maakt het, anders dan de onderdelen 1.6 en 1.7 betogen, geen verschil of het gaat om rechtsmacht in de zin van art. 1 EVRM Pro of om rechtsmacht in algemene zin. Voor zover onderdeel 1.6 betoogt dat art. 5 EVRM Pro doorwerkt in de interne rechtsorde van Nederland en daarom art. 1 EVRM Pro niet beslissend behoeft te zijn voor de vraag of de Staat rechtsmacht heeft, faalt ook dit betoog om de zojuist genoemde reden. Waar onderdeel 1.7 nog een beroep doet op art. 21 lid 3 Statuut Pro, faalt het onderdeel eveneens, omdat die bepaling zich niet richt tot [eiser] c.s., maar het ICC opdraagt dat de toepassing en interpretatie van het volgens art. 21 Statuut Pro door het ICC toe te passen recht verenigbaar moet zijn met de internationaal erkende mensenrechten. Zie ook onder 2.9 van deze conclusie.
onderdeel 3.1is het oordeel van het hof dat Nederland geen rechtsmacht heeft, onjuist althans onbegrijpelijk. Ook dit onderdeel bouwt voort op onderdeel 1.2 en moet het lot daarvan delen. Ik herhaal dat in het kader van deze civiele procedure geen plaats is voor een rechtmatigheidsoordeel over de duur en de uitkomst van de asielprocedures bij de vreemdelingenrechter. In ieder geval zullen die procedures op een zeker moment tot een einde komen en is er derhalve geen sprake van een ‘juridisch vacuüm’, zoals ook het EHRM in de zaak [betrokkene 3]/Nederland heeft overwogen (zie rov. 75, hierboven geciteerd onder 2.6). Tegen die achtergrond is het oordeel van het hof dat de situatie van [eiser] c.s. niet uitzichtloos is, juist en begrijpelijk. Voor zover het hof in rov. 2.4 van het bestreden arrest heeft verwezen naar de procedure die [eiser] c.s. tegen DRC hebben aangespannen bij de Mensenrechtencommissie in Genève, is deze verwijzing ten overvloede geschied. Om die reden faalt ook
onderdeel 3.2.
onderdeel 4.3een motiveringsklacht tegen rov. 2.5 wordt aangevoerd, omdat er ‘geen spoor van respons’ is terug te vinden op de stellingen van [eiser] c.s. ten aanzien van art. 21 lid 3 Statuut Pro en het beginsel van
non-refoulement, faalt deze klacht. Het zuivere rechtsoordeel over de rechtsmacht kan immers niet worden bestreden met een motiveringsklacht. Ten slotte klaagt
onderdeel 4.4dat onbegrijpelijk is wat het hof in rov. 2.5 heeft bedoeld met de woorden ‘Nederlands grondgebied’. Met deze overweging, mede in verband met de verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak [betrokkene 3], heeft het hof klaarblijkelijk bedoeld aan te geven dat de omstandigheid dat [eiser] c.s. in Nederland asiel hebben aangevraagd noch naar Nederlands recht noch naar bepalingen van het EVRM meebrengt dat zij de uitkomst van de asielprocedure op Nederlands grondgebied buiten de detentieruimte van het ICC mogen afwachten. Volgens het EHRM bestaat er immers geen verplichting de uitkomst van de asielprocedure af te wachten op het grondgebied van de staat waar asiel is verzocht. [37] Het onderdeel stuit hierop af.