Conclusie
eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 primair onder parketnummer 16-711030-08, voor zover inhoudende dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, onvoldoende met redenen is omkleed.
tweede middelklaagt over ‘s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van de in de appelschriftuur onder 11 opgegeven “getuigen plaats delict”, zoals nader toegelicht ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2011, en de motivering daarvan.
ongemotiveerdaangesloten bij de verzoeken in de zaak [medeverdachte], voor het geval een reconstructie wat het hof betreft “niet in de rede” zou liggen.
derde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen en daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd.
in casusprake is, op voorhand niet-ontvankelijk is, omdat deze vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Derhalve had het hof in onderhavige zaak de vordering niet-ontvankelijk moeten verklaren voor zover betrekking hebbende op de vergoeding van shockschade.
ambtshalvenoopten tot niet-ontvankelijkverklaring van het betreffende deel van de vordering. De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep weliswaar geconcludeerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, maar hij heeft niet op de voet van art. 361, derde lid, (oud) Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv die conclusie onderbouwd en het hof verzocht te bepalen dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, en voorts te bepalen dat het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Het oordeel van het hof behoefde dus – ook in zoverre – geen nadere motivering. [13] Ten overvloede merk ik op dat zelfs indien de verdediging een dergelijk verzoek wél had ingediend, het hof noch op grond van art. 361 Sv Pro noch op grond van enige andere bepaling gehouden is dat oordeel nader te motiveren. [14]