Conclusie
1.Inleidende beschouwingen
verlening: het besluit over het wel of niet inwilligen van een subsidie-aanvrage (zie afdeling 4.2.3 en in het bijzonder art. 4:29 Awb Pro). In de tweede fase volgt het besluit tot
vaststellingvan de subsidie (zie afdeling 4.2.5 en in het bijzonder art. 4:42 Awb Pro). Zowel het besluit over wel of niet verlening van de aangevraagde subsidie als het, doorgaans enige tijd later maar soms tegelijkertijd genomen, besluit tot vaststelling van de subsidie is aan te merken als een ‘beschikking’ in de zin van art. 1 Awb Pro van het desbetreffende bestuursorgaan. Nadat de subsidie is vastgesteld volgt de uitbetaling (art. 4:52 Awb Pro).
1. Het budget
2.De feiten en het procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
uitbetalingaan de verzorgingshuizen van eerder aan de individuele verzorgingshuizen toegekende subsidies. Dienaangaande hebben zij aangevoerd:
toegekende subsidies. Onjuist is echter de veronderstelling (waarin de Rechtbank kennelijk verkeert) dat de uitbetaling van de reserves een (nader) publiekrechtelijk besluit vergde. Waar immers de subsidie is toegekend en vastgesteld resteert er in publiekrechtelijke zin niets meer. Er viel ten aanzien van de inventarisreserves, die als vordering deel uitmaakten van de balans van de verzorgingshuizen, niets (meer) te besluiten. Ter verduidelijking: de verzorgingshuizen lieten de niet gebruikte – en dus naar volgende jaren doorgeschoven – delen van de toegekende subsidies in hun balans/jaarrekening (die moest worden voorzien van een accountantsverklaring) terugkomen als een vordering. Ter illustratie daarvan wordt bij deze memorie van grieven als productie 19 een kopie van de relevante delen van de jaarrekening 1998 van één van de (rechtsvoorgangers van de) verzorgingshuizen in het geding gebracht. Er was derhalve simpelweg sprake van een verplichting van het CVZ tot betaling van de opgebouwde reserves. Daarover behoefde geen besluit meer te worden genomen.” [51]
Onderdeel 3.1betreft een prealabele kwestie over de vertegenwoordiging van de verzorgingshuizen in het overleg dat tot de op 11 april 2000 gemaakte afspraak heeft geleid. Het hof zou (in rov. 3.14) hebben miskend dat de overeenkomst van 11 april 2000 is gesloten met de IVVU; niet met de individuele verzorgingshuizen. Waar het hof niet heeft vastgesteld of de IVVU door alle eiseressen was gemachtigd, en in dit geding zelfs niet is aangevoerd dat de IVVU bevoegd was deze 23 verzorgingshuizen te vertegenwoordigen, is het hof volgens de klacht buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door dit aan te nemen. In ieder geval zou het hof hebben miskend dat de individuele verzorgingshuizen geen rechten kunnen ontlenen aan een door anderen met het CVZ gemaakte afspraak.
onderdeel 3.2dat, indien het hof heeft aangenomen dat uit eerder genomen (bestuursrechtelijke) beschikkingen een aanspraak van de verzorgingshuizen op uitbetaling van de opgebouwde investeringsreserves voortvloeit, in het arrest niet valt te lezen op welke besluiten het hof daarbij het oog heeft gehad.
nieuwesubsidie, maar te kwalificeren is als: het uitvoering geven aan een afspraak over de vraag aan wie en wanneer reeds eerder toegekende gelden konden worden uitbetaald. In
onderdeel 3.4bestrijdt het CVZ deze kwalificatie. De klacht houdt in dat het hof miskent dat, ook indien niet sprake is van een
nieuwesubsidieverlening, maar slechts van het verhogen of wijzigen van een al eerder vastgestelde subsidie, het toekennen van een hoger subsidiebedrag uitsluitend kan geschieden in de vorm van een (bestuursrechtelijke) beschikking.
Onderdeel 3.5, gericht tegen rov. 3.12, bouwt slechts voort op de vorige klachten en behoeft hier geen bespreking.
verondersteldebeslissing;
Onderdeel 1.1klaagt dat de door het hof genoemde omstandigheid dat de beschikkingen niet uitdrukkelijk melding maken van enigerlei beslissing over de wijze van afrekening van de opgebouwde investeringsreserves, niet betekent dat de verzorgingshuizen in een voor hen openstaande bezwaar- en beroepsprocedure niet het argument hadden kunnen aanvoeren dat het CVZ deze beschikkingen heeft gegeven in strijd met hetgeen op 11 april 2000 tussen partijen was overeengekomen. De in rov. 3.4 genoemde omstandigheid dat de verzorgingshuizen niet erop bedacht behoefden te zijn dat deze beschikkingen ook dáárover een beslissing bevatten, doet volgens het CVZ hieraan niet af: de verzorgingshuizen waren immers degenen die aanspraak maakten op de bedoelde investeringsreserves, dus zij waren degenen die dit aan de orde hadden moeten stellen.
Onderdeel 1.4voegt nog toe dat om dezelfde reden rechtens onjuist is dat − althans onbegrijpelijk is waarom − het hof heeft aangenomen dat de afrekening van de investeringsreserves los staat van de ‘reguliere’ subsidieverstrekking door het CVZ.
Onderdeel 1.5bestrijdt door middel van een motiveringsklacht het in rov. 3.5 gebruikte argument dat in de gegeven omstandigheden er voor de verzorgingshuizen geen aanleiding was om bestuursrechtelijk bezwaar te maken tegen de besluiten van 1 augustus en 12 december 2002.
nietheeft beoogd in deze besluiten (impliciet) te beslissen over de investeringsreserves. Het hof geeft hiervoor ook een verklaring: uit correspondentie achteraf is gebleken dat de behandelende functionarissen bij het CVZ onbekend waren met de op 11 april 2000 gemaakte afspraken (rov. 3.3). Het hof besluit dat door het CVZ onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de verzorgingshuizen niettemin erop bedacht hadden moeten zijn dat de besluiten van 1 augustus en 12 december 2002 tevens een beslissing behelsden over de opgebouwde investeringsreserves voor vervanging van inventaris. Deze redengeving kan het oordeel dragen. De middelonderdelen 1.1 - 1.5 stuiten hierop af.
Onderdeel 1.7sluit hierbij aan met een motiveringsklacht: gelet op de in onderdeel 1.2 genoemde omstandigheden valt zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet in te zien waarom (informatie vanuit) het CVZ de verzorgingshuizen zou hebben belet om gebruik te maken van een voor hen openstaande bestuursrechtelijke rechtsgang.
Onderdeel 1.8, gericht tegen rov. 3.7 en 3.9, bouwt voort op de vorige klachten en behoeft na het voorgaande geen bespreking meer. De slotsom is dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt.
Onderdeel 2.2sluit hierbij aan met de klacht dat zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet valt in te zien waarom dit geval zo klemmend is dat een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht moet worden aanvaard. De
onderdelen 2.3 en 2.4bouwen op dit thema voort.
Onderdeel 5is gericht tegen rov. 3.18 en tegen het dictum van het bestreden arrest. De klacht houdt in dat het hof heeft miskend dat de burgerlijke rechter een bestuursorgaan niet kan veroordelen tot het nemen van besluiten in de zin van de Awb, zoals in dit geval: het nemen van een subsidiebeschikking met een bepaalde inhoud.