Conclusie
eerste middelklaagt dat in het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank wat betreft de motivering van de bewezenverklaring ten onrechte is volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, nu geen sprake is van een volledige bekentenis van de verdachte.
tweede middelklaagt terecht dat het Hof heeft nagelaten bij de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 47 Sr Pro op te nemen.
derde middelklaagt dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A] B.V. te Stadskanaal tot het gevorderde bedrag van € 1.510,86 en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor hetzelfde bedrag niet zonder meer begrijpelijk zijn nu het bedrag van € 1.510,86 boven het bewezenverklaarde bedrag ligt.
(…)
Factuur 1 € 1797,92 inc
(creditering ontvreemde goederen)
(…)
€ 1510,86 excl bt
De schade die nog niet is/wordt vergoed en die in deze procedure wordt gevorderd bedraagt:
€ 1510,86 excl.”