“Het hof acht op de volgende gronden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht.
Getuigenverklaring [getuige 1]
Naar het oordeel van het hof bestond in elk geval al de dag voor het festival Rio aan de Rijn bij verdachte de wetenschap dat [slachtoffer 1] naar de stad zou komen om carnaval te vieren, gelet op de verklaring van getuige [getuige 1] bij de politie van 27 oktober 2010, meer in het bijzonder de volgende passage (p. 609):
"Een dag eerder (het hof begrijpt: 20 augustus 20/0) heeft [verdachte] tegen mij gezegd dat hij gehoord had dat degene die hem in Curaçao had neergeschoten naar de stad zou komen om carnaval te vieren. Toen [verdachte] dit vertelde begon hij te lachen en te huilen door elkaar. "
Deze getuige is daarna in hoger beroep nog gehoord bij de rechter-commissaris op 13 februari 2012, nogmaals door de politie op 27 februari 2012 en ter terechtzitting van het hof op 10 juli 2012. De getuige heeft op belastende onderdelen wisselende verklaringen afgelegd. Volgens de verdediging is dan ook sprake van een onbetrouwbare getuige en zou het hof zijn verklaringen niet tot bewijs mogen bezigen.
Het hof acht de door de getuige op 27 oktober 2010 bij de politie afgelegde verklaring, meer in het bijzonder voor zover inhoudende dat verdachte de dag voor het festival hem had verteld dat hij (verdachte ) had gehoord dat degene die hem neergeschoten had naar het festival zou komen, echter wel geloofwaardig en authentiek. De getuige heeft in zijn eerste verklaring tegenover de politie uitvoerig en gedetailleerd verklaard over de gebeurtenissen op en omstreeks 21 augustus 2010. Volgens het proces-verbaal van bevindingen van de twee verhorende verbalisanten van 1 maart 2012 verliep het verhoor op een normale en rustige wijze, wist de getuige zich veel te herinneren van wat voorafgaand aan de schietpartij was voorgevallen en heeft hij zijn verklaring doorgelezen en zonder commentaar ondertekend.
Bovendien verklaren de verbalisanten op ambtseed dat de getuige [getuige 1] wel heeft verklaard dat verdachte hem had gezegd dat de man die hem op Curaçao had neergeschoten carnaval zou komen vieren en dat zij voor dit verhoor geen aanwijzingen hadden dat er een gesprek met deze strekking tussen verdachte en [getuige 1] had plaatsgevonden.
Bovendien heeft de getuige op 13 februari 2012 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij bij de politie (op 27 oktober 2010) de waarheid heeft verklaard, dat het waar is wat in zijn verklaring staat en dat hij deze heeft doorgelezen en heeft ondertekend. Dat hij daarna als oude vriend van verdachte, op uitdrukkelijke vragen over de hiervoor weergegeven, belastende passage, ontkent dat gezegd te hebben is begrijpelijk maar niet aannemelijk. Dat klemt temeer omdat zijn verdere beschrijving van de gebeurtenissen op 21 augustus 2010 in de eerste verklaring bij de politie steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat geldt ook voor de door de getuige [getuige 1] genoemde emotie bij verdachte toen hij sprak over 'degene die hem in Curaçao had neergeschoten'. Zo heeft de neef van verdachte, [betrokkene 1], verklaard (p. 569) dat verdachte altijd gaat huilen als hij hem spreekt over de mensen die op hem hebben geschoten.
De hiervoor weergegeven verklaring van [getuige 1] weerspreekt de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat [slachtoffer 1] op 21 augustus 2010 op het festival in Arnhem zou komen.
Getuigenverklaring [getuige 2]
Volgens het ambtsedig proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 15 november 2010 (p. 623) heeft getuige [getuige 2] op 2 november 2010, voorafgaand aan een verhoor, gezegd dat hij ongeveer een week voor Rio aan de Rijn had gesproken met verdachte, die zei dat hij iemand ging terugpakken, waarbij hij de littekens van kogelwonden liet zien als gevolg van een beschieting op Curaçao. Hij toonde daarbij een vuurwapen.
Getuigenverklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige 3]
Het dodelijk slachtoffer [slachtoffer 1] was op 21 augustus 2010 op het festival 'Rio aan de Rijn' met zijn vriendin [betrokkene 2] ("[betrokkene 2]", geen familie van verdachte), met het tweede slachtoffer [slachtoffer 2] en diens vriendin [getuige 3], en met [betrokkene 3] of [betrokkene 3]. [getuige 3] heeft onder meer verklaard (p. 387 en 388, 392 en 393) dat zij op een gegeven moment bij de Markt stonden en dat zij een onbekende Antilliaanse man achter hen zag staan. Hij stond naar hen te kijken en dat gaf [getuige 3] een vreemd gevoel. Zij zijn met z'n vijven doorgelopen en enkele minuten later bleven zij op de Markt staan. Op dat moment zag zij diezelfde man achter [slachtoffer 1] staan. Zij heeft haar vriend [slachtoffer 2] gezegd dat die vreemde man er weer was. Toen zag ze dat deze onbekende man een vuurwapen achter zijn broeksband vandaan haalde en schoot op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] is weggerend en de schutter rende achter hem aan en bleef schieten op [slachtoffer 1]. Deze verklaring van [getuige 3] wordt ondersteund door aangever [slachtoffer 2] (p. 106). Hij hoorde zijn vriendin [getuige 3] zeggen dat zij die onbekende jongen eerder gezien had. Hij draaide zich om en zag dat die jongen een vuurwapen pakte en direct schoot.
Het hof ziet, evenals de rechtbank, geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van [getuige 3] en [slachtoffer 2]. Bij de rechter-commissaris hebben [slachtoffer 2] en [getuige 3] hun verklaring bevestigd.
De verdediging heeft in dit kader aangevoerd dat als verdachte al naar 'het groepje van [slachtoffer 1]' stond te kijken, dit niet zonder meer wil zeggen dat zijn blik daarbij op [slachtoffer 1] was gericht. Gelet op het feit dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] zou komen, hij [slachtoffer 1] van gezicht kende (zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard), hij op [slachtoffer 1] gefocust was en in ieder geval volgens de beschikbare beelden (onder meer p. 535, 536 en 539) vanaf ongeveer 50 minuten voor het schieten gelijktijdig met de groep van [slachtoffer 1] op of bij de Markt aanwezig was, acht het hof deze stelling, mede bezien in het licht van de hiervoor weergegeven verklaring van [getuige 3], onaannemelijk.
Verklaringen verdachte
Verdachte heeft verklaard dat de aanleiding van het schietincident was dat [slachtoffer 1] en diens broer en zoon in 2004 op Curaçao 44 kogels op hem hebben afgeschoten. Hij is daarbij ernstig gewond geraakt en heeft als gevolg daarvan een loodvergiftiging gekregen en een heupprothese. Verdachte wilde [slachtoffer 1] daarom al vanaf 2004 uit de weg ruimen (onder meer p. 732 en 733). Ter terechtzitting van het hof verduidelijkt verdachte nog dat ondanks dat het wapen doorgeladen was, het haperde bij het eerste schot. Op dat moment was nog niemand geraakt. Verdachte heeft verklaard dat hij net zo lang heeft geschoten tot het pistool wel werkte en uiteindelijk leeg was. In het wapen zaten 7 kogels.
Conclusie
Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op grond van de gewelddadige confrontatie met het slachtoffer [slachtoffer 1] in 2004 de niet aflatende wil had om [slachtoffer 1] te doden. Hij wist in elk geval de dag voor het festival dat [slachtoffer 1] naar Arnhem zou komen. Hij is met wraakgevoelens en een (doorgeladen) wapen naar het festival Rio aan de Rijn gegaan. Nadat hij [slachtoffer 1] op de Markt had ontdekt, heeft hij het groepje mensen waarin het slachtoffer zich bevond op zijn minst enkele minuten geobserveerd. Vervolgens heeft hij zijn wapen getrokken en gericht op [slachtoffer 1]. Nadat het wapen in eerste instantie haperde heeft verdachte alsnog zijn schoten gelost. [slachtoffer 1] was geraakt en rende weg. Verdachte achtervolgde hem. Verdachte bleef schieten terwijl hij achter [slachtoffer 1] aan rende.
Hiermee is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte zich op meerdere momenten heeft kunnen beraden op het genomen besluit om [slachtoffer 1] te doden. Hij heeft de confrontatie zelf opgezocht en heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij heeft de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Alleen al in de door verdachte gemaakte keuzes ligt besloten dat er geen sprake is van de door de verdediging genoemde contra-indicaties die in de weg zouden staan aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad.”