Conclusie
Overeenkomstig het vorenoverwogene ervan uitgaande dat [eiser] niet meer dan halve dagen als buschauffeur kan werken, komt vervolgens aan de orde of hij dan de resterende tijd ander werk zou kunnen verrichten.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Van een onjuiste rechtsopvatting getuigt om de onder 1.1.a aangevoerde reden(en) dan ook (…)”) over het oordeel in de rov. 10.4-10.5 van het tussenarrest van 2 juni 2009, dat Allianz met overlegging van het arbeidsdeskundig rapport van partijdeskundige Van Summeren het in rov. 4.6 van het tussenarrest van 11 maart 2008 bedoelde tegenbewijs had geleverd tot ontzenuwing van het voorshands als bewezen aangenomen feit dat [eiser] (naast diens betrekking voor 50% als buschauffeur) geen resterende verdiencapaciteit heeft en dat voor het antwoord op de vraag in hoeverre sprake was van meer verdiencapaciteit een onafhankelijk arbeidsdeskundig onderzoek zou moeten worden uitgevoerd waaraan [eiser] zou moeten meewerken, alsmede over de rov. 16.1-16.3 van het tussenarrest van 17 mei 2011, waarin het hof het oordeel van de arbeidsdeskundige Artoos overnam en tot het zijne maakte en de verdiencapaciteit van [eiser] na het ongeval niet op 50% maar op 75% stelde. Volgens het subonderdeel was het door het hof bedoelde tegenbewijs immers in dit geding niet (meer) relevant/bepalend voor zijn schadevaststelling.
“naast zijn (deeltijd)werk als buschauffeur”. Volgens het subonderdeel bestreed Allianz met grief I aldus - en terecht - niet het door de rechtbank in rov. 3.4 vooropgestelde (onherroepelijk) vaststaande uitgangspunt dat [eiser] in het kader van de WAO voor zijn eigen werk als buschauffeur 50% arbeidsongeschikt is, zijn werk voor 50% heeft behouden, hij wel geschikt zou (kunnen) zijn enkele andere lager betaalde functies fulltime te verrichten maar niet in staat zou zijn tevens voor 50% een lager betaalde functie te verrichten omdat zijn eigen baan daarvoor teveel energie kost. Door in het kader van zijn beoordeling van grief I in zijn bestreden arresten, in overeenstemming met c.q. door overneming van de oordelen uit het deskundigenbericht van de (register)arbeidsdeskundige Artoos, tot zijn oordeel (in rov. 16.2) te komen dat Allianz was geslaagd in het haar toegelaten tegenbewijs dat de verdiencapaciteit van [eiser] na het ongeval niet 50% maar 75% is (geweest) nu [eiser] in staat moet worden geacht om 75-80% van een fulltime baan als buschauffeur in het stads- en/of streekvervoer te verrichten (
“omdat de gestelde beperkingen bij [eiser] nu eenmaal licht zijn”; rov. 16.1.4), is het hof dan ook getreden buiten de grenzen van het door grief I ontsloten gebied c.q. buiten de door deze appelgrief, in de memorie van grieven, getrokken grenzen van de aan het hof ter beoordeling voorgelegde rechtsstrijd in hoger beroep.
als buschauffeurals gevolg van het ongeval in elk geval tot 50% van diens oorspronkelijke verdiencapaciteit in die functie was beperkt en dat Allianz daarmee nog slechts ter discussie wilde stellen of [eiser], naast die aldus beperkte verdiencapaciteit als buschauffeur, over resterende verdiencapaciteit beschikte die hij uitsluitend
in andere functies(en in het bijzonder door het verrichten van administratief werk) te gelde zou kunnen maken. Volgens de samenvatting die het hof daarvan heeft gegeven, had de grief (
“in de eerste plaats”) de - meer algemene - strekking
“dat er geen althans minder schade is door verlies aan verdienvermogen”(waarmee het hof klaarblijkelijk heeft bedoeld: geen of minder schade door verlies aan verdienvermogen dan de rechtbank op grond van het rapport van bureau Pals had aangenomen). Dat Allianz (nog steeds volgens de samenvatting van de grief door het hof)
“(i)n dat verband”heeft gewezen op het feit dat [eiser] na het ongeval en naast zijn deeltijdbetrekking als buschauffeur in vennootschappen onder firma heeft geparticipeerd en dat Allianz daaruit heeft afgeleid dat [eiser] naast zijn (deeltijd)werk als buschauffeur administratief werk zou kunnen doen, impliceert niet dat Allianz zich daarmee op het standpunt stelde dat [eiser] zijn (volgens Allianz) resterende verdiencapaciteit
uitsluitenddoor het verrichten van ander werk dan dat van buschauffeur, in het bijzonder administratief werk, te gelde zou kunnen maken. Het lag immers hoe dan ook voor de hand dat Allianz met name heeft gewezen op het feit dat [eiser] administratief werk naast zijn (deeltijd)werk als buschauffeur zou kunnen verrichten, nu in verband met de participatie van [eiser] in de bedoelde vennootschappen daadwerkelijk van een dergelijke combinatie van werkzaamheden sprake was geweest [5] . De samenvatting van het bewijsaanbod van Allianz aan het slot van rov. 4.3 wijst evenmin erop dat het hof de betrokken grief zo beperkt heeft opgevat als het subonderdeel verdedigt. Volgens het hof heeft Allianz niet te bewijzen aangeboden dat [eiser], naast zijn werkzaamheden als buschauffeur voor 50%, inkomen, specifiek uit administratieve werkzaamheden, zou kunnen genereren, maar
“dat [eiser], naast zijn werkzaamheden als buschauffeur van 50%, verdiencapaciteit heeft die hij te gelde kan maken”. In lijn daarmee wijst ook rov. 4.6 van hetzelfde tussenarrest, waarin het hof Allianz in de gelegenheid heeft gesteld tegenbewijs te leveren, geenszins erop dat in de opvatting van het hof Allianz met haar eerste grief slechts geldend wilde maken dat [eiser] naast zijn (deeltijd)werk als buschauffeur (slechts) werkzaamheden van andere aard zou kunnen verrichten. Ook de formulering van rov. 4.6 betreft meer in het algemeen de al dan niet aanwezigheid van verdiencapaciteit (in welke functie dan ook) die [eiser] naast zijn werkzaamheden als buschauffeur voor 50% te gelde kan maken:
“Waarwellichtuit de stukken blijkt dat werk als fulltime buschauffeur fysiek te zwaar belastend zou zijn, geldt dat niet voor administratief werk naast het werk als buschauffeur voor 50%”(onderstreping toegevoegd; LK). Eerst in haar memorie van antwoord na deskundigenbericht (onder 11) heeft Allianz zich, naar aanleiding van het rapport van Artoos, uitdrukkelijk erop beroepen dat [eiser] ook zijn werkzaamheden als buschauffeur had kunnen uitbreiden:
“Evident is dat [eiser] na het ongeval allerlei fulltime administratieve functies had kunnen gaan bekleden. Indien hij zijn werk als buschauffeur had willen continueren - hetgeen op zich voorstelbaar is - dan had hij deze werkzaamheden in elk geval kunnen uitbreiden tot 75% à 80%.”[eiser] zelf heeft zich overigens, noch in zijn memorie na deskundigenbericht, noch in zijn akte na tussenarrest van 20 december 2011, op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid om voor meer dan 50% als buschauffeur te werken buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep viel.
“naar de mate waarop zijn arbeidsongeschiktheidspercentages in de loop der jaren door de instanties van de sociale wetten telkens zijn vastgesteld”(waarvoor hij al door de arbeidsdeskundige Veldhuis van de GMD is onderzocht), en (ii) het hof in zijn - in kracht van gewijsde gegaan - eindarrest in de hoofdprocedure onherroepelijk had uitgemaakt (dat voldoende was gebleken) dat
“[eiser] gedurende enige tijd niet tot het verrichten van zijn normale werk in staat is geweest en thans voor de helft van de tijd niet tot het verrichten van zijn normale werkzaamheden, noch tot het verrichten van andere betaalde arbeid in staat moet worden geacht”, hij
“als gevolg van het ongeval gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden in die zin dat hij niet meer dan halve dagen als buschauffeur kan werken”, hij (ook) tot andere arbeid niet in staat is en ook voor rekening van de schadeveroorzaker komt dat [eiser] gelet op zijn leeftijd en schoolopleiding vrij beperkte mogelijkheden heeft ander werk te vinden.
“[eiser] gedurende enige tijd niet tot het verrichten van zijn normale werk in staat is geweest en thans voor de helft van de tijd niet tot het verrichten van zijn normale werkzaamheden, noch tot het verrichten van andere betaalde arbeid in staat moet worden geacht”, hij
“als gevolg van het ongeval gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden in die zin dat hij niet meer dan halve dagen als buschauffeur kan werken”, hij (ook) tot andere arbeid niet in staat is en voor rekening van de schadeveroorzaker komt dat [eiser] gelet op zijn leeftijd en schoolopleiding vrij beperkte mogelijkheden heeft ander werk te vinden. Bij deze stand van zaken kwam het hof in de hoofdprocedure, volgens het subonderdeel terecht en nu definitief, in zijn eindarrest tot de slotsom dat, bij nader inzien, het arbeidsdeskundig onderzoek niet (meer) aan de orde hoefde te komen (p. 3-4). Voormelde oordelen uit het eindarrest had het hof in deze schadestaatprocedure zoals de rechtbank - nog steeds volgens het subonderdeel - met juistheid in haar beroepen vonnis had gedaan (rov. 3.4), als
“vaststaand uitgangspunt”moeten nemen, omdat die oordelen en beslissingen onherroepelijk waren (geworden) met het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraken van de rechtbank en het hof in de aansprakelijkheidsprocedure. Hiervan uitgaande had het hof, anders dan het in rov. 10.4 van het tussenarrest van 2 juni 2009 concludeerde, niet kunnen komen tot het gelasten van een deskundigenbericht van een onafhankelijke registerarbeidsdeskundige, nu vorenbedoelde onherroepelijke oordelen van de rechtbank en het hof in de hoofdprocedure in de weg stonden aan een andersluidende uitkomst en een deskundigenbericht (ook) in deze schadestaatprocedure zonder nut en noodzaak (belang) was (en is). Door te oordelen en beslissen op de wijze (en de gronden) als het heeft gedaan, heeft het hof volgens het onderdeel (althans in zoverre) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
“gelet op zijn leeftijd, opleiding en werkervaring”. Het subonderdeel betoogt dat juist de door leeftijd en schoolopleiding van [eiser] beperkte mogelijkheden ander werk te vinden, naar het onherroepelijke oordeel van het hof binnen de risicosfeer van de veroorzaker vielen en, aldus het eindarrest in de hoofdprocedure, (mede) voor diens rekening c.q. voor rekening van Allianz (ZA) als zijn WAM-verzekeraar komen, en in deze schadestaatprocedure niet ter discussie stonden; dit een en ander was (en is) volgens het subonderdeel in dit stadium daarom géén voorwerp van geschil/bewijslevering meer. Door (desondanks) te oordelen en beslissen als het in vorenbedoelde zin heeft gedaan, heeft het hof dan ook, of althans, (in zoverre) van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven.
nietheeft gebaseerd op het oordeel van het GAK (UWV) over de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] in verband met de aan deze toegekende WAO-uitkering. Voorts heeft het hof (eveneens op p. 3 van het eindarrest in de hoofdprocedure) beslist over de vraag of, als ervan wordt uitgegaan dat [eiser] niet meer dan halve dagen als buschauffeur kan werken, hij dan gedurende de resterende werktijd ander werk zou kunnen verrichten. Kennelijk heeft het hof de stellingen ter zake van [eiser] voor waar gehouden, omdat van simulering of overdrijving door [eiser] niet was gebleken en ZA ook niet gemotiveerd had aangevoerd welk werk [eiser] (aanvullend) zou kunnen verrichten. De overwegingen ter zake monden (op p. 4 van het eindarrest in de hoofdprocedure) uit in de beslissing dat het (nota bene: reeds gelaste) arbeidsdeskundige onderzoek
“bij nader inzien (…) niet aan de orde (behoeft) te komen”. De beide punten (de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van [eiser] als buschauffeur en de (on)mogelijkheid om aanvullend werk te verrichten) waarover het hof in de hoofdprocedure een eigen beslissing heeft genomen, stonden in het appel van de hoofdprocedure nog ter discussie. Om die reden zal ik mij hierna tot die door het hof genomen beslissingen beperken en de daaraan voorafgaande beslissingen van de rechtbank in de hoofdprocedure ter zake buiten beschouwing laten.
nietde grondslag van de aansprakelijkheid betreffende) beslissingen in de hoofdprocedure terug te komen, als het tot het inzicht was gekomen dat die beslissingen op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berustten. Ten aanzien van de beslissing over de mogelijk resterende verdiencapaciteit was dat laatste evident het geval, nu de rechter in de schadestaatprocedure, anders dan het hof in de hoofdprocedure (waarin kennelijk was aangenomen dat [eiser]
nietover resterende verdiencapaciteit beschikte), ermee bekend was dat [eiser], naast zijn werk als buschauffeur, na het ongeval daadwerkelijk bij een tweetal vennootschappen onder firma op transportgebied en bij het lasbedrijf van zijn zoon betrokken was geweest. Ook voor de toenmalige A-G Bakels, die in zijn conclusie onder 2.25 voor het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2001 in de hoofdprocedure inging op de inmiddels aan ZA gebleken omstandigheid
“dat [eiser] inmiddels een eigen transportbedrijf is begonnen”, was evident dat deze omstandigheid alsnog in de schadestaatprocedure aan de orde zou moeten kunnen komen. Het stond het hof bij die stand van zaken stellig vrij in de schadestaatprocedure alsnog een arbeidsdeskundig onderzoek te gelasten. Wat betreft de eerste beslissing van het hof (de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] als buschauffeur) is het hof kennelijk pas door de rapportage van de arbeidsdeskundige Artoos over de resterende verdiencapaciteit van [eiser] tot het inzicht gekomen dat de inschatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] als buschauffeur in de hoofdprocedure een feitelijk onjuiste was. Ik zie niet in waarom het hof niet op die grond van de desbetreffende beslissing in de hoofdprocedure heeft mogen terugkomen, temeer niet nu de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] als buschauffeur en naast zijn werkzaamheden in die functie mogelijk nog resterende verdiencapaciteit niet geheel los van elkaar staan. Alhoewel zulks in het eindarrest in de hoofdprocedure niet met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht, meen ik dat aan het daarin vervatte oordeel over (het ontbreken van) resterende verdiencapaciteit mede de gedachte ten grondslag ligt dat de arbeidsmogelijkheden van [eiser] met een voor 50% vervulde functie als buschauffeur reeds volledig waren uitgeput en dat het om die reden aan resterende verdiencapaciteit ontbrak. Dat beeld, óók van de mate van arbeidsongeschiktheid in de functie van buschauffeur, kantelt, als blijkt dat naast de feitelijk verrichte werkzaamheden als buschauffeur wel degelijk arbeidscapaciteit resteerde.
“wat dit betreft immers niet bindend”is (en was), heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bindende (rechts)kracht van de hier bedoelde besluiten tot periodieke (her)beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] en vaststelling door de - medici en arbeidsdeskundigen van de - uitkeringsinstanties van (de theoretische arbeidsongeschiktheidsklasse voor) diens WAO-uitkering. Met zijn oordeel heeft het hof volgens het subonderdeel miskend dat deze besluiten formele rechtskracht hebben, waardoor in een procedure als de onderhavige de gewone rechter moet uitgaan van de bindende kracht van die besluiten en van de rechtmatigheid van hun inhoud en wijze waarop zij ten aanzien van [eiser] tot stand zijn gekomen. Daarmee, of daardoor, heeft het hof, nog steeds volgens het subonderdeel, dan ook eraan voorbijgezien dat het de door [eiser] in deze procedure gevorderde schadevergoeding diende te beoordelen, uitgaande van het door de rechtbank in haar vonnis van 16 februari 1996 als vaststaand vastgestelde feit dat [eiser] door het ongeval eerst geheel en daarna gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden voor zijn beroep als buschauffeur
“naar de mate waarop zijn arbeidsongeschiktheidspercentages in de loop der jaren door de instanties van de sociale wetten telkens zijn vastgesteld”, waarvoor de arbeidsdeskundige Veldhuis van de GMD periodiek [eiser] onderzocht. Het subonderdeel betoogt dat het hof, door in rov. 16.2 van het tussenarrest van 17 mei 2011 (en daarop volgende arresten) te oordelen en beslissen op de wijze (en de gronden) als het deed, zonder daarbij (enkel), zonder meer, af te gaan op en zich te bepalen door de mate waarop de arbeidsongeschiktheidspercentages in de loop der jaren door de uitkeringsinstanties van de sociale wetten zijn vastgesteld, dan ook, of althans, (in zoverre) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
“naar de mate waarop zijn arbeidsongeschiktheidspercentages in de loop der jaren door de instanties van de sociale wetten”is vastgesteld.
nietheeft verlaten op het oordeel van het GAK (UWV) over de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] in verband met de aan deze toegekende WAO-uitkering. Ook voor zover [eiser] aan het subonderdeel gebondenheid van de rechter in de schadestaatprocedure aan oordelen en beslissingen in de hoofdprocedure ten grondslag heeft gelegd, kan het subonderdeel daarom niet tot cassatie leiden.
“gelet op eerdere rapportage van het GAK”het niet zo kan zijn dat uit het rapport van Artoos de conclusie wordt getrokken dat [eiser] al vanaf 29 september 1990 een theoretische verdiencapaciteit van 75% had, dan ook, of althans, (in zoverre) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de (definitief) bindende (rechts)kracht van de besluiten van het GAK (UWV) tot periodieke (her)beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en vaststelling door de betrokken medici en arbeidsdeskundigen van de uitkeringsinstanties van de voor [eiser] geldende arbeidsongeschiktheidsklasse voor zijn WAO.
“naar de mate waarop zijn arbeidsongeschiktheidspercentages in de loop der jaren door de instanties van de sociale wetten telkens zijn vastgesteld”, en hij sindsdien de bijpassende uitkeringen geniet.
subonderdeel 3.3.bis het voorts onbegrijpelijk dat het hof in rov. 16.2 van het tussenarrest van 17 mei 2011 (reeds) tot zijn oordeel heeft kunnen komen dat het de in de rov. 16.1.1-16.1.8 van dat tussenarrest weergegeven oordelen van de arbeidsdeskundige Artoos, als zodanig en zonder meer, heeft overgenomen en tot het zijne gemaakt, waaronder haar oordeel
“dat de fysieke beperkingen van [eiser] eerder gering zijn”en
“voor wat betreft de beperkingen in de psychische belastbaarheid (...) slechts sprake (is) van lichte beperkingen”(rov. 16.1.1), welke medische beperkingen [eiser] zouden toelaten fulltime te werken zodat hij een restverdiencapaciteit heeft (rov. 16.1.2) en in staat is om 75-80% van een fulltime baan als buschauffeur in stads/streekvervoer te verrichten
“omdat de gestelde beperkingen bij [eiser] nu eenmaal licht zijn”(rov. 16.1.4), terwijl ook in deze procedure [eiser] steeds heeft aangevoerd/herhaald dat zijn toestand ten opzichte van die in de hoofdprocedure niet was (en is) gewijzigd, zoals de in die procedure geraadpleegde medici (eensluidend) als
“eindtoestand”hadden vastgesteld. Volgens het subonderdeel is tegen deze achtergrond niet duidelijk dat en op grond waarvan, in navolging van arbeidsdeskundige Artoos, het hof heeft kunnen oordelen dat ondanks deze, als vaststaand uitgangspunt te nemen, niet (meer) gewijzigde
“eindtoestand”van [eiser] na c.q. vanaf het ongeval de mate van zijn arbeidsongeschiktheid niet 50% maar (slechts) 25% is (kan zijn), en dat het hof het niet (meer) noodzakelijk achtte de gezondheidstoestand c.q. de medische (fysieke/psychische) beperkingen van [eiser] opnieuw door medisch specialisten te laten onderzoeken naar het moment van ’s hofs beslissing (ex nunc). Dit geldt c.q. klemt temeer nu volgens het rapport van arbeidsdeskundige Artoos voor haar oordelen is uitgegaan van een van arbeidsdeskundige Van Summeren afwijkend beperkingenprofiel (rov. 16.17), welk beperkingenprofiel door Van Summeren (wèl) was ontleend aan de bevindingen van de door het hof in de hoofdprocedure benoemde medisch specialisten Kramer en Berendes. Bij gebreke van enige nadere motivering ter zake heeft het hof zijn tussenarresten en daarop voortbouwend eindarrest aldus niet met voldoende redenen omkleed en ontoereikend gemotiveerd om begrijpelijk, controleerbaar en aanvaardbaar te zijn. Door te oordelen en beslissen op de wijze als het in voormelde zin deed, heeft het hof dan ook, of althans, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
“[eiser] door deze beperkingen niet gehinderd zou mogen worden”, de orthopeed Kramer concludeerde dat
“(i)n principe (…) [eiser] door zijn klachten niet wordt gehinderd in de uitoefening van zijn functie als buschauffeur”, zij het
“dat de dag voor hem eigenlijk te lang is met als gevolg dat hij zijn taak slechts voor halve dagen kan uitvoeren”.