Conclusie
[verdachte]
eerste middelklaagt over de verwerping door het hof van een verweer dat strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie (OM). Aangevoerd wordt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij zijn respons op de – door de verdediging van de advocaat-generaal overgenomen – stelling dat het OM niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het op te lichtvaardige gronden tot vervolging heeft beslist, althans dat een andere afdoeningswijze was geboden. [1]
tweede middelklaagt over het gebruik voor het bewijs van de door [getuige 2] afgelegde verklaring en over (de motivering van) de verwerping van het daarover gevoerde verweer. Aangevoerd wordt dat er redenen zijn om te twijfelen aan de authenticiteit van deze verklaring en dat het hof had moeten aangeven waarop zijn oordeel is gebaseerd dat de verklaring betrouwbaar is.
derde middelstelt aan de orde dat de bewezenverklaring, in het bijzonder het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, onvoldoende met redenen is omkleed. Hiertoe wordt aangevoerd dat het hof heeft verzuimd gemotiveerd te responderen op het verweer dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de gemeente Bergen er geen punt van maakte dat hout werd meegenomen uit het bos en dus dat hij geenszins heeft beoogd het eigendomsrecht van de gemeente te schaden.