ECLI:NL:PHR:2013:2378
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vernietiging vaststellingsovereenkomst wegens geestelijke stoornis
Deze zaak betreft een geschil over de nalatenschap van de overleden echtgenoot van eiseres en de verdeling daarvan via een vaststellingsovereenkomst tussen eiseres, haar kinderen en verweerder. Eiseres stelde dat zij door een geestelijke stoornis niet in staat was haar wil te bepalen bij het sluiten van deze overeenkomst, waardoor deze vernietigbaar zou zijn op grond van artikel 3:34 BW Pro.
De rechtbank en het hof verwierpen dit beroep, stellende dat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat zij door haar geestelijke toestand niet in staat was haar belangen te behartigen en dat de overeenkomst nadelig voor haar was. Het hof liet in het midden of sprake was van een geestelijke stoornis, maar oordeelde dat het causaal verband tussen stoornis en wil ontbrak.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De Hoge Raad benadrukt dat eiseres de stelplicht en bewijslast droeg om de geestelijke stoornis en het gevolg daarvan voor haar wil aan te tonen. Ook het bewijsvermoeden van art. 3:34 lid 1 BW Pro geldt slechts indien het nadeel van de rechtshandeling is vastgesteld, wat hier onvoldoende is gesteld. Het hof heeft dit terecht beoordeeld en voldoende gemotiveerd.
De conclusie van de Procureur-Generaal ondersteunt deze afwijzing. Daarmee blijft de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig en worden de eerdere vonnissen bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en de vaststellingsovereenkomst blijft geldig.