Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat in cassatie inbreuk is gemaakt op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht doordat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen op 26 april 2013 nadat op 20 juli 2011 beroep in cassatie was ingesteld. Het middel is gegrond. Strafvermindering dient te volgen.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting als bedoeld in art. 350 Sv Pro nu in het arrest niet is vermeld dat het Hof heeft beraadslaagd op grond van de terechtzittingen van het Hof van 2 maart 2010 en 9 december 2010.
derde middelricht zich tegen de bewijsconstructie van de onder 1 door het Hof bewezen verklaarde uitvoer van 2800 gram heroïne. Deze zou berusten op bewijsmiddelen die ofwel innerlijk tegenstrijdig zijn ofwel onverenigbaar zijn met de door het Hof gegeven nadere bewijsoverweging.
Verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte] voor dat transport benaderd en er voor gezorgd dat de drugs werden overgebracht naar [medeverdachte]. Verdachte is eveneens tussenpersoon geweest (tussen [betrokkene 22] en [medeverdachte]) waar het ging om de betaling van [medeverdachte] voor dat transport. Verdachte heeft bemoeienis gehad met het regelen van dat transport zelf, in die zin dat hij Eurolines heeft gebeld om informatie in te winnen over bustickets naar Kopenhagen. Hij heeft [medeverdachte], die deze tickets zelf heeft gekocht en betaald, met het oog op de reis € 400,- gegeven of geleend. Van belang daarbij is dat verdachte ook daarover contact heeft gehad met [betrokkene 23] [gelet op de ten aanzien van feit 1 gebezigde bewijsmiddelen zal zijn bedoeld: [betrokkene 22], PCV]. Verdachte heeft bemoeienis gehad met de verpakking van die drugs of in elk geval de verpakkingsmaterialen die daarbij gebruikt zouden worden, voor een geschikte koffer gezorgd en advies gegeven (of van [betrokkene 22] aan [medeverdachte] overgebracht) over hoe de drugs het beste in de koffer zouden passen. Verdachte zette [medeverdachte] op de trein naar Utrecht.
vierde middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft vastgesteld dat met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit sprake is van medeplegen en niet van medeplichtigheid zoals door de raadsvrouwe van de verdachte was ongevoerd.
vijfde middelbehelst de klacht dat het Hof de onder 4, 8, 9 en 10 bewezen verklaarde feiten ten onrechte heeft gekwalificeerd als het ‘verschaffen van verblijf’ nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de illegalen nooit in Denemarken hebben verbleven doordat de transporten telkens in Duitsland zijn onderschept.
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):
- een chauffeur en een auto geregeld, althans ter beschikking gesteld voor vervoeren van de hierna te vermelde personen en
- een hoeveelheid geld ter beschikking gesteld aan personen die de hierna vermelde personen hebben vervoerd en
- instructies gegeven en/of laten geven aan personen die betrokken waren bij het ophalen en/of vervoeren en/of transporteren van de hierna te vermelde personen, in geval één of meer personen en
- de hierna vermelde personen vervoerd en/of laten vervoeren van Nederland naar Duitsland en/of Denemarken terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die doorreis en dat verblijf wederrechtelijk waren,
op of omstreeks 4 december 2006
a. [betrokkene 21], geboortedatum onbekend, geboren te [geboorteplaats] en
b. [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum]-1981 te [geboorteplaats] en
c. [betrokkene 3], geboortedatum onbekend, geboren te [geboorteplaats] en
d. [betrokkene 4], geboren op [geboortedatum] -1984 te [geboorteplaats]’.
zesde middelricht zich tegen de uitleg die het Hof heeft gegeven aan het bestanddeel ‘uit winstbejag’.
Ik had vanaf dat moment wel door dat het mensen waren die geen geldige papieren hadden of helemaal geen papieren hadden. Ik kan u zeggen dat ik weet van 6 transporten van mensen vanuit Nederland in de richting van Denemarken. De mensen die vervoerd werden waren vermoedelijk illegaal. Deze transporten begonnen ongeveer begin december 2006. Ik weet dat de volgende mensen als chauffeur bij zo’n transport hebben opgetreden:
[…]
Deze mensen zijn allemaal gepakt door de Duitse of Deense politie. Ik weet ook van 2 of 3 personen van mensen naar Denemarken die wel gelukt zijn. Bij 1 of 2 van deze gelukte tansporten was [medeverdachte] de chauffeur. […]’
zevende middelricht zich tegen de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit die uitsluitend zou berusten op de verklaring van de verdachte die bovendien onjuist door het Hof zou zijn gewaardeerd.
achtste middelricht zich eveneens tegen de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit, maar nu voor zover daar bewezen is verklaard dat sprake is van medeplegen. Volgens de toelichting op het middel kan het medeplegen ‘in ieder geval niet’ volgen uit de door het Hof onder 9 tot bewijs gebezigde verklaring van de verdachte.
Dit impliceert dat verzoeker in de visie van het Hofeerst in de nacht van 4 december 2006 op de hoogte kan zijn geraakt van het die nacht op handen zijnde transport.‘ Die visie van het Hof lees ik niet in het arrest noch in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. Het tweede voorbeeld sluit hier (in de schriftuur letterlijk) op aan: ‘Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen
volgt derhalve dat verzoekeranders dan het uitlenen van geld aan [medeverdachte] die nacht
geen andere voorafgaande betrokkenheid heeft gehad bij het transportvan 4 december 2006.’ Ook dat is een gevolgtrekking die geheel voor rekening van de steller van het middel moet blijven. Ook in de toelichting op andere middelen schrijven de stellers van het middel aan het Hof opvattingen toe die niet in het arrest zijn te lezen: ‘Hoewel niet met zoveel woorden door het Hof gezegd,
kan het niet anders dan dat het Hof, in navolging van de raadsvrouwe, de verklaring van [betrokkene 24] onbetrouwbaar en dus niet bruikbaar voor het bewijs heeft geacht.’ In werkelijkheid heeft het Hof ook hierover niets overwogen noch iets vastgesteld. Dan kom ik toe aan de beoordeling van de klacht die niet op ‘hineininterpretieren’ berust.
negende middelricht zich tegen de bewezenverklaring van het onder 8 ten laste gelegde feit.
tiende middelbehelst de klacht dat het Hof de ten aanzien van feit 9 tot bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 28] heeft gedenatureerd (‘een wezenlijk andere betekenis heeft gegeven’) terwijl het oordeel van het Hof dat deze verklaring betrekking heeft op het transport van 9 januari 2007 onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd.
elfde middelbetreft, net als het tiende middel, het onder 9 bewezen verklaarde feit. De toelichting richt zich in het bijzonder tegen de overweging van het Hof dat de verdachte regelend en organiserend heeft opgetreden.
twaalfde middelbetreft het onder 10 bewezen verklaarde feit. Het Hof zou de tot bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte] hebben gedenatureerd (‘een wezenlijk andere betekenis’) terwijl het oordeel van het Hof dat zijn verklaring betrekking heeft op het transport van 17 januari 2007 onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is.