Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof het verzoek getuigen te horen – gelet op HR 1 februari 1994, NJ 1994/427 m.nt. G.J.M. Corstens – op onjuiste gronden dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Als gevolg hiervan zou de verdachte geen eerlijk proces hebben gehad.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte poging tot doodslag bewezen heeft verklaard.
derde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is nu een tweetal door het Hof ten laste van de verdachte bewezen verklaarde uitlatingen geen bedreiging met geweld opleveren terwijl het bewijs van een andere uitlating slechts berust op de verklaring van één getuige welke niet door ander bewijs wordt ondersteund.
- tegen die [betrokkene 2] heeft gezegd: "Je moet gewoon betalen, anders heb je een probleem" en
- terwijl hij, verdachte, die [betrokkene 2] vast had gepakt tegen die [betrokkene 2] heeft gezegd: "Waar is mijn geld?" en
- tegen de moeder van die [betrokkene 2], [betrokkene 3], heeft gezegd: “Ik maak je zoon dood" en "Ik trapje deur in” en "Ik gooi die ramen van je in".’
vierde middelricht zich tegen het door het Hof onder 4 ten laste van de verdachte bewezen verklaarde ‘medeplegen van afpersing, meermalen gepleegd’. De bewezenverklaring zou onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn.
Het hof heeft deze verklaringen dan ook met de nodige behoedzaamheid gebruikt, maar ziet geen aanleiding deze voor het bewijs buiten beschouwing te laten.’
vijfde middelricht zich tegen het onder 5 ten laste van de verdachte bewezen verklaarde feit. De bewijsconstructie zou ontoereikend zijn omdat uitsluitend de verklaring van [betrokkene 10], het slachtoffer, onvoldoende bewijs oplevert voor nauwe en bewuste samenwerking tussen [betrokkene 11] en rekwirant.