ECLI:NL:PHR:2013:608
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van art. 15e Wet Vpb bij herinvestering en belangwijziging in HIR-lichaam
De zaak betreft de toepassing van art. 15e (thans 12a) van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die het verval van een herinvesteringsreserve (HIR) regelt bij wijziging van het belang in een vennootschap met een HIR. De belanghebbende had in 2006 onroerend goed verkocht en de boekwinst in een HIR gereserveerd. Vervolgens vond in hetzelfde jaar een herinvestering plaats vóór de belangwijziging, waarbij aandelen werden overgedragen aan een nieuwe aandeelhouder.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de ruilarresten niet van toepassing waren wegens ontbreken van een vervangingsvoornemen en dat art. 15e Wet Vpb van toepassing was, omdat materieel de HIR door de nieuwe aandeelhouder werd benut. Het Hof gaf voorrang aan de bedoeling van de wetgever boven de tekst van de wet.
In cassatie stelde de belanghebbende dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd dat geen vervangingsvoornemen bestond en dat het Hof ten onrechte de duidelijke tekst van art. 15e had genegeerd. De Advocaat-Generaal concludeerde dat art. 15e Wet Vpb een anti-misbruikbepaling is die strikt naar haar tekst moet worden uitgelegd, mede vanwege rechtszekerheid en het feit dat de wetgever bewust niet alle situaties had bestreken. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond en vernietigde de eerdere uitspraken, en stelde de belastbare winst vast conform de aangifte van de belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt zelf afgedaan door de belastbare winst vast te stellen conform de aangifte van de belanghebbende.