Conclusie
eerste middelklaagt dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat verzoeker op 18 oktober 2006 tezamen en in vereniging met anderen ongeveer 20 kilogram cocaïne heeft verkocht, zoals is bewezen verklaard, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
verkoopvan deze hoeveelheid zou blijken, nu de bewijsmiddelen 15 en 16 daartoe niet redengevend kunnen zijn.
tweede middelklaagt dat de berechting van verzoeker in cassatie niet plaatsvindt binnen de redelijke termijn waarop de verdachte ex art. 6 EVRM Pro aanspraak mag maken, nu tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad te veel tijd is verstreken.