Conclusie
“(...) welk bedrag jullie in gedachten hebben voor het uitvoeren van de schapombouw (merchandise) via Decor.”Daarop heeft Pokon geantwoord:
“(...) Zodra wij jullie offerte hebben ontvangen kunnen wij vergelijken of onze administratie goed zit.”
bijdrage Groeifonds 1,5% op niveau Praxis
bruto gewogen marge voor de Megastores (...)
overall bruto gewogen marge voor SRP (...)”
2.Procesverloop
grief IIwordt opgekomen tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van schade als gevolg van de plotselinge beëindiging van de leveringen, in het bijzonder tegen de rov. 4.2-4.4 (MvG onder 31-32). In haar toelichting op de grief betoogt Decor dat sprake was van een duurovereenkomst dan wel een reeds jarenlang durende samenwerking die door Pokon niet van de één op de andere dag had mogen worden beëindigd (MvG onder 34) en dat zij ervan uitging dat ook in 2006 de samenwerking zou worden gecontinueerd (MvG onder 59). Geconcludeerd wordt (cursivering toegevoegd, A-G):
Primairis Decor van mening dat zij er gelet op de jarenlange samenwerking vanuit mocht gaan dat de samenwerking in 2006 zou worden gecontinueerd.
Subsidiairis Decor van mening dat Pokon tenminste een redelijke opzegtermijn in acht had moeten nemen, tenminste had Decor in de gelegenheid moeten worden gesteld het (belangrijke) eerste half jaar van 2006 door te leveren (…).
Meer subsidiairis Decor van mening dat als al geconcludeerd moet worden dat van jaar tot jaar onderhandeld werd Pokon niet van de één op de andere dag onderhandelingen mag afbreken omdat Decor mocht verwachten dat enigerlei overeenkomst tot stand zou komen, tenminste het verrichte van de schapwisseling en het leveren van de Pokon-producten aan de bouwmarkten ten behoeve van het voorjaar 2006.”
3.Beoordeling van het cassatieberoep
middelvalt uiteen in twee onderdelen met subonderdelen. Het eerste onderdeel komt op tegen het oordeel van het hof dat – kort gezegd – geen sprake was van een duurovereenkomst tussen partijen
.Het tweede onderdeel richt zich tegen het oordeel dat Pokon de onderhandelingen over een contract voor het jaar 2006 mocht afbreken zonder schadeplichtig te worden.
grief II in het principaal appelmocht Pokon met ingang van 2006 de contractuele relatie met Decor niet beëindigen, althans niet zonder schadeplichtig te worden.
subonderdeel B.2heeft het hof zijn oordeel in rov. 3.5 dat van een duurovereenkomst tussen partijen geen sprake is ten onrechte in belangrijke mate gebaseerd op de omstandigheid dat voor Pokon de
noodzaakc.q.
dwangbestond om met Decor samen te werken. Betoogd wordt dat (het hof heeft miskend dat) de omstandigheid dat niet uit vrije wil zou zijn gecontracteerd niet relevant en in ieder geval niet doorslaggevend is voor de vraag of een duurovereenkomst is ontstaan; die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van (een samenspel van) factoren als in het middel genoemd (duur van de samenwerking, afhankelijkheid, afstemming productieproces, exclusiviteit, bestaan van een prijsafspraak voor een onbepaalde tijd, bestaan van een raam- of standaardovereenkomst). In de schriftelijke toelichting wordt daartoe betoogd dat het onderscheidende kenmerk van de onbenoemde duurovereenkomst is dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan die zich in de loop der tijd, in het licht van de relevante omstandigheden, ontwikkelt naar een als duurovereenkomst te kwalificeren bestendige handelsrelatie. Daarom liggen in deze
ontwikkelingde omstandigheden besloten die relevant zijn voor de kwalificatie van een rechtsverhouding als duurovereenkomst. De initiële
aanleidingc.q. de
redenenvoor het aangaan van een (duur)overeenkomst liggen daarbuiten en zijn derhalve niet bepalend voor de kwalificatie van de handelsrelatie als duurovereenkomst (s.t. onder 21, 25). Het hof heeft dan ook een onjuiste maatstaf toegepast ter kwalificatie van de relatie tussen partijen, althans de geldende maatstaf onjuist toegepast, aldus de klacht (s.t. onder 26).
ontwikkelingvan een losse reeks contracten naar een duur-/raamovereenkomst (duur, afhankelijkheid, exclusiviteit, etc), maar ook de
aanleiding totc.q.
redenen voorhet aangaan van die afzonderlijke contracten (noodzaak, dwang). Niet valt in te zien dat dergelijke omstandigheden niet van belang kunnen zijn bij de beantwoording van de vraag of de ene partij, in casu Decor, er gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat bij de andere, in casu Pokon, (inmiddels) de wil bestaat om zich op basis van een duurovereenkomst te verbinden.
subonderdeel B.3berust, evenals de zojuist besproken rechtsklacht, op het uitgangspunt dat de omstandigheid dat sprake was van een gedwongen samenwerking niet kan bijdragen aan het oordeel dat van een duurovereenkomst geen sprake is.
“de (..) onder 3.2 (..) gememoreerde omstandigheden”kan deze klacht evenmin tot cassatie leiden.
op dezelfde manier aan Praxis ‘door te geven’ zoals[Pokon]
hem stelt”;
subonderdeel B.6) althans zijn oordeel in rov. 3.8 [15] in het licht van de geadstrueerde stellingen van Decor ontoereikend gemotiveerd (
subonderdeel B.7).
duurovereenkomst(inl. dagv. onder 4, 49-60, 69-81; MvG onder 34, 53-54), dat Decor
schadeheeft geleden (inl. dagv. onder 5 [16] , 82-83, 84-85) respectievelijk dat er bij Decor gerechtvaardigd
vertrouwenbestond dat in 2006 de samenwerking zou worden gecontinueerd (MvG onder 59, 62-68, 70, 74), of zij staan anderszins niet kenbaar in de sleutel van een beroep op de aansprakelijkheid wegens afgebroken onderhandelingen op grondslag (ii) (proces-verbaal van comparitie d.d. 15 maart 2007, p. 3 (verklaring [betrokkene 4]), p. 3-4 (verklaring mr Jeltema) en p. 6 (verklaringen Jeltema, [betrokkene 4] en [betrokkene 5]); MvG onder 34, 38, 41-42, 44, 47 [17] ). Decor heeft, integendeel, de aansprakelijkheid wegens afgebroken onderhandelingen over het jaar 2006 uitdrukkelijk gegrond op gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen (MvG onder 76, aangehaald in deze conclusie onder 2.3). Anders dan in de s.t. (onder 41) wordt betoogd, heeft Decor zich derhalve niet uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat het Pokon, gelet op de omstandigheden van het geval, niet vrijstond de onderhandelingen voor het jaar 2006 af te breken [18] ; evenmin lag een voldoende kenbaar beroep op die grondslag in de stellingen van Decor besloten.