Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
petitumonder a en b) beperkten zich tot deze twee onderwerpen. De vrouw verzocht het hof de omvang en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen en deed een voorstel voor die verdeling. Verder verzocht zij het hof een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ten laste van de man vast te stellen groot € 2.250,- per maand vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde gaat (blz. 5).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1klaagt de vrouw dat het hof miskent dat art. 1:160 BW Pro niet eerder toepassing kan vinden dan nadat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan,
casu quonadat de uitgesproken echtscheiding onherroepelijk is en aldus is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Door reeds van de toepasselijkheid van art. 1:160 BW Pro uit te gaan op de enkele grond dat de man (voortijdig) de echtscheidingsbeschikking op 20 december 2011 heeft laten inschrijven, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting [1] .
in haar geheel, maar in het appelverzoekschrift noch in het appelverweerschrift grieven tegen de echtscheiding zijn gericht, zodat de appelrechter tot het oordeel moet komen dat de echtscheiding onherroepelijk is geworden.
affectieve relatie(ii) van
duurzame aard, die (iii) meebrengt dat betrokkenen elkaar
wederzijds verzorgen, (iv) met elkaar
samenwonenen (v) een
gemeenschappelijke huishoudingvoeren [11] . Vanwege de ingrijpende gevolgen van een definitieve beëindiging van de onderhoudsplicht mag, bijvoorbeeld bij een prille nieuwe relatie, niet te gemakkelijk worden aangenomen dat aan elk van deze eisen is voldaan [12] . Aan de motivering van het oordeel dat sprake is van ‘samenleven met een ander als waren zij gehuwd’ worden om die reden hoge motiveringseisen gesteld [13] .
onder 2.3evenwel terecht, dat daaruit niets valt af te leiden over wederzijdse verzorging tussen de vrouw en [betrokkene] (vereiste iii), noch over het voeren van een gemeenschappelijke huishouding door de vrouw en [betrokkene] (vereiste v). Voor een ‘samenleven als waren zij gehuwd’ is een affectieve relatie van duurzame aard niet toereikend, noch het gezamenlijk hebben van een kind. Uitgaande van het standpunt van de man dat aan alle vereisten voor toepassing van art. 1:160 lid 3 BW Pro is voldaan, had het hof ook naar de vereisten (iii) en (v) onderzoek moeten instellen.
onder 2.1-, hetzij zijn oordeel op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd – dan slaagt de motiveringsklacht
onder 2.2 e.v.
Onderdeel 3, dat is gericht tegen het oordeel dat er een duidelijk vermoeden is dat de vrouw met een ander samenleeft als waren zij gehuwd, behoeft na het voorgaande geen bespreking meer. Voor het geval dat de Hoge Raad toekomt aan de klacht dat het hof de vrouw had behoren toe te laten tot levering van tegenbewijs, verdient het volgende opmerking. Het bewijsaanbod van de vrouw op blz. 6 van het verweerschrift in het incidenteel appel, waarop de klacht kennelijk het oog heeft, is gedaan in het kader van het verweer tegen het incidenteel hoger beroep. Gelet op de context waarin het werd gedaan, had dit aanbod betrekking op de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap. Het hof heeft hierin geen aanbod van tegenbewijs ten aanzien van het beroep van de man op art. 1:160 BW Pro behoeven te lezen.
onderdeel 4berusten op de veronderstelling dat het hof is uitgegaan van een gerechtelijke erkentenis van de vrouw dat zij met [betrokkene] samenwoont als waren zij gehuwd. Die veronderstelling mist feitelijke grondslag. Verder behoeft deze klacht geen bespreking.