Conclusie
Inleiding
€ 250.228,62, te vermeerderen met de contractuele rente ad 4,8% per jaar alsmede met de contractuele extra rente over de achterstallige termijnen. Voorts heeft het hof [eiseres] bevolen om binnen zeven dagen na betekening van het arrest notaris mr. F. van Ekdom te Utrecht of zijn plaatsvervanger mede te delen dat het door hem gehouden depot dient te worden vrijgegeven ten behoeve van de Bank en heeft het hof – indien en voor zover [eiseres] haar hiervoor bedoelde medewerking weigert – de Bank gemachtigd om op basis van de grosse van het arrest mede namens [eiseres] genoemde notaris of diens plaatsvervanger te instrueren over te gaan tot vrijgave van het depot ten behoeve van de Bank.
Het principaal cassatiemiddel
€ 1.100.000,- (rov. 13)). Het risico op een waardedaling van woningen mag algemeen bekend worden verondersteld, ook al is een waardedaling op enig moment niet voorzienbaar (ook voor de Bank niet, zoals onderdeel 2.2.2 voorlaatste alinea op p. 13 ook lijkt te erkennen met de opmerking dat als feit van algemene bekendheid kan worden aangenomen dat men toen ervan uitging dat de waarde van onroerende zaken veeleer zou stijgen en niet zou dalen).
kennelijkevergissing die met behulp van art. 31 Rv Pro kan worden geredresseerd. Uw Raad oordeelde immers in zijn beschikking van 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:38, RvdW 2013/852, dat voor niet-ontvankelijkheid op grond van art. 399 Rv Pro geen aanleiding bestaat in het geval dat weliswaar bij diezelfde rechter een verzoek als bedoeld in art. 31 of Pro 32 Rv kan worden ingediend, maar in cassatie ook andere klachten aan de orde zijn gesteld, aangezien in dat geval immers de proceseconomie ermee is gediend alle klachten in één uitspraak af te doen. In zoverre kwam uw Raad daarmee terug van HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9596, NJ 2010/389.