Onderdeel 2.2 bevat de algemene inleidende klacht dat het hof in rov. 5 t/m 7 van zijn arrest hetzij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Aangegeven wordt dat deze klacht in de daarop volgende onderdelen nader wordt uitgewerkt. Deze onderdelen bestrijken een groot aantal pagina’s. Ik vat de onderdelen, die ten dele in herhalingen vervallen, hierna samen.
De onderdelen 2.2.1 en 2.2.2 halen een groot aantal stellingen uit de gedingstukken aan en strekken kennelijk ertoe te benadrukken dat [eiseres] heeft gesteld dat sprake is van een risicovolle en ongebruikelijke transactie en niet om een ‘regulier’ geval nu [eiseres] geen inkomen had en geen samenlevingscontract met [betrokkene 1], zodat zij [betrokkene 1] niet zou kunnen dwingen de rentetermijnen te blijven betalen totdat de woning van [betrokkene 1] zou zijn verkocht. Onderdeel 2.2 betoogt dat daarmee voor de Bank kenbaar had moeten zijn dat voor [eiseres] een groot risico aanwezig was voor een restschuld indien [betrokkene 1] niet meer zou betalen en de woning van [betrokkene 1] niet spoedig verkocht werd en dit alles ten laste van [eiseres] zou komen op de wijze waarop dit thans door de Bank is gedaan. Daaraan wordt toegevoegd dat als feit van algemene bekendheid kan worden aangenomen dat men toen ervan uitging dat de waarde van onroerende zaken zou stijgen en niet, zoals thans aan de orde is, zou dalen, en voorts dat de Bank ook vanuit dit perspectief had moeten waarschuwen en [eiseres] zelfs de onderhavige financiering niet had mogen aanbieden. Tot slot wordt de klacht geformuleerd dat het in het licht van deze door de onderdelen opgesomde feiten en omstandigheden van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat het hof in zijn arrest, in het bijzonder in rov. 5 t/m 7, geen schending van de op een bank als professionele dienstverlener rustende zorgplicht heeft aangenomen, zulks ook in het licht van middelonderdeel 2.2.3.
In onderdeel 2.2.3 wordt gerefereerd aan een van de drie arresten van uw Raad van 5 juni 2009 inzake effectenleasegeschillen en wordt betoogd dat een risico van een restschuld evenzeer bestaat in een geval als het onderhavige, waarbij wordt benadrukt dat [eiseres] niet over eigen inkomen beschikte en de overwaarde “liquide” is gemaakt door middel van het overbruggingskrediet waarvan de aflossing afhankelijk was van de verkoop van de woning te Heesch door [betrokkene 1]. Het onderdeel betoogt dat dit bij uitstek de situatie is waarin de Bank niet een financiering als de onderhavige had mogen adviseren en waarbij de klant tegen zichzelf en tegen deze risico’s beschermd had moeten worden. De bijzondere zorgplicht van een bank die hypothecaire geldleningen verstrekt, verschilt aldus niet wezenlijk van een financiële dienstverlener die een effectenleaseproduct verkoopt. Aldus dit middelonderdeel, dat eraan toevoegt dat op de Bank een waarschuwingsplicht rustte om helder en duidelijk informatie te verstrekken ten aanzien van de mogelijke financiële consequenties voor [eiseres], en dat de Bank [eiseres] had moeten wijzen op de risico’s van haar aansprakelijkheid. Het formuleert ten slotte de klacht dat het hof hetzij dit alles heeft miskend hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang op dit punt, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.
Onderdeel 2.2.4 vangt aan met de klacht dat het betoogde in de twee vorige onderdelen maakt dat rechtens onjuist en onbegrijpelijk is hetgeen het hof in rov. 5 t/m 7 heeft overwogen. Vervolgens worden onder de letters i t/m viii klachten geformuleerd die uitmonden in de conclusie onder de letter ix dat de Bank wel degelijk bij het aangaan van de onderhavige financiering de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden en dat de Bank [eiseres] de onderhavige financiering had moeten onthouden. De slotklacht luidt dat de Bank dit alles heeft miskend hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang hetzij een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.
Onder de letter i wordt geklaagd dat het hof in rov. 5 heeft miskend dat de schending van de zorgplicht jegens [eiseres] niet lag in de hoogte van de hypotheek in vergelijking tot het inkomen van [betrokkene 1] maar in het feit dat [eiseres] geen inkomen had.
Onder letter ii wordt geklaagd dat het hof in de laatste volzin van rov. 5 miskent dat het risico daarin school dat de overwaarde waarop het overbruggingskrediet was gebaseerd eerst beschikbaar zou komen na verkoop door [betrokkene 1] van zijn woning.
Onder letter iii wordt geklaagd dat onjuist en onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 5 dat [eiseres] te weinig zou hebben gesteld om te kunnen concluderen dat het inkomen van [betrokkene 1] waarvan de Bank is uitgegaan, onvoldoende was om in aanmerking te komen voor de onderhavige kredietverstrekking.
Onder letter iv wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 6 dat het hof niet inziet dat [eiseres] de Bank met succes een verwijt ervan kan maken dat de verkoop van de woning te Heesch langer heeft geduurd dan [eiseres] had verwacht waardoor het overbruggingskrediet een aantal malen moest worden verlengd.
Onder letter v wordt opgekomen tegen rov. 7 met de klacht dat het hof miskent dat [eiseres], als zij destijds geen krediet zou hebben gekregen, de destijds op de woning rustende overwaarde had kunnen incasseren en dat de Bank [eiseres] tegen zichzelf had moeten beschermen door de ongebruikelijke en exorbitant hoge leningen te ontraden.
Onder letter vi wordt eveneens opgekomen tegen rov. 7 en wordt herhaald dat het hof heeft miskend dat de Bank [eiseres] tegen zichzelf had moeten beschermen gelet op de ongebruikelijkheid van de transactie.
Ook onder letter vii wordt opgekomen tegen rov. 7. Geklaagd wordt dat de Bank [eiseres] tegen zichzelf had moeten beschermen en had moeten waarschuwen nu hier cruciaal is dat de overwaarde van de woning bijna geheel was verhypothekeerd door het overbruggingskrediet en dat tussen [betrokkene 1] en [eiseres] zelfs geen samenlevingscontract was gesloten.
Onder letter viii wordt opgekomen tegen rov. 7 waar het hof overweegt dat [eiseres] de Bank niet met succes kan verwijten dat zij [eiseres] niet heeft weerhouden van het aangaan van de hypothecaire lening temeer waar in november 2001 de toenmalige hypotheeknemer de veiling van de woning te Huizen had aangezegd zodat [eiseres] bekend was, althans had kunnen zijn met de specifieke risico’s die aan hypotheekverstrekking zijn verbonden. Geklaagd wordt dat het hof over het hoofd ziet dat het risico van veiling destijds beperkt was.