Conclusie
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
Het middel, dat uiteenvalt in twee deelklachten, komt op tegen een oordeel dat ligt besloten in het bestreden arrest, te weten ‘s hofs oordeel dat is voldaan aan de voorschriften van de artikelen 409 Sv, 588, tweede lid Sv en artikel 6 EVRM Pro omdat de aanzegging van het hoger beroep rechtsgeldig aan de verdachte is betekend en met de behandeling van het hoger beroep een aanvang kon worden gemaakt.
in de eerste plaatste klagen over ‘s hofs verzuim om te onderzoeken of het adres waarnaar de aanzegging hoger beroep is verstuurd wel het juiste adres van de verdachte in Frankrijk betrof. De juiste benaming van de beoogde straat is volgens de steller van het middel: ‘[a-straat 1]’. Het hof had dit evenals de steller van het middel eenvoudig kunnen achterhalen op internet, aldus luidt de klacht.
In de tweede plaatsklaagt het middel over het ontbreken van een vertaling in de Franse taal van de aanzegging hoger beroep. Het hof had als gevolg daarvan niet mogen overgaan tot een behandeling van het hoger beroep, aldus de steller van het middel.
vertalingvan een gerechtelijke mededeling is immers rechtstreeks gerelateerd aan het in die bepaling beschermde belang van de toezending van de gerechtelijke mededeling zelf. Zoals hiervoor gezegd stelt art. 409 Sv Pro zich ten doel te bewerkstelligen dat de verdachte tijdig op de hoogte wordt gebracht van de voortzetting van de procedure, thans in hoger beroep, zodat hij zijn verdediging daarop kan inrichten. Dit doel kan evenwel ook worden bereikt door bijvoorbeeld een tijdige appeldagvaarding. [4]
eventueledefecten aan de aanzegging hoger beroep ingevolge het
tweedelid van art. 409 Sv Pro de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting verhinderden. Ik leid uit Uw rechtspraak af dat het antwoord daarop afhangt van alle omstandigheden van het geval, hetgeen van de feitenrechter een casuïstische aanpak vergt.
LJNAV1156,
NJ2006/275: