ECLI:NL:PHR:2013:817

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2013
Publicatiedatum
24 september 2013
Zaaknummer
12/00134
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 2.17 lid 2 APV 2008 AmsterdamArt. 410 SvArt. 410a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving art. 51 Sv en onduidelijkheid rechtsbijstand verdachte

De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor overtreding van artikel 2.17 lid 2 APV 2008 Amsterdam en kreeg een geldboete opgelegd. In hoger beroep werd de zaak behandeld zonder dat het hof zich ervan vergewiste of de opvolgende raadsman, mr. C. Stroobach, op de hoogte was gebracht van de zitting, terwijl de vorige advocaat, mr. M. Jeltes, zich had teruggetrokken.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat art. 51 Sv Pro niet van toepassing was omdat de opvolgende raadsman zich niet had gesteld. Uit het dossier blijkt dat mr. Stroobach zich niet op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de griffie heeft bekendgemaakt, maar dat dit geen noodzakelijke voorwaarde is om als raadsman te worden erkend. Het hof had niet mogen aannemen dat de vorige advocaat de zittingsdatum aan de opvolgende advocaat had doorgegeven.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug om alsnog te onderzoeken of iemand anders zich op het moment van het feit voor de verdachte heeft uitgegeven. De procedure wordt hervat met inachtneming van de juiste rechtsbijstand voor de verdachte.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van art. 51 Sv en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.

Conclusie

Nr. 12/00134
Mr. Wortel
Zitting 3 september 2013
conclusie inzake

[verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 11 november 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de verdachte wegens ‘overtreding van het bepaalde in artikel 2.17 lid 2 APV 2008 Amsterdam’ is veroordeeld tot een geldboete van € 75,-.
1.2 Namens de verdachte heeft mr. C.F. van Drumpt, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
2.1 Het middel klaagt erover dat het Hof de behandeling ter terechtzitting heeft voortgezet zonder zich ervan te vergewissen of de raadsvrouwe op de voet van art. 51 Sv Pro op de hoogte was gebracht van dag en uur van de terechtzitting.
2.2 Blijkens het proces-verbaal van de op 11 november 2011 gehouden terechtzitting, waarin de bestreden uitspraak is aangetekend, heeft het Hof vastgesteld en beslist:
“Als raadsvrouw van de verdachte is opgeroepen mr. M. Jeltes, advocaat, kantoorhoudende aan de Van Baerlestraat 146 1071 BE Amsterdam, kennelijk omdat zij namens verdachte appèl heeft aangetekend. De voorzitter wijst er op dat in deze zaak een appèlschriftuur is ingediend door mr. C. Stroobach. De voorzitter wijst er op dat bij een eerdere aanhouding van de zaak door de raadsheer, die toen, op 22 maart 2011, over de zaak zat melding is gemaakt van een telefonische mededeling van mr. M. Jeltes, dat niet zij, maar mr. C. Stroobach als advocaat van verdachte zal optreden. De voorzitter constateert echter dat mr. C. Stroobach zich tot tot dusver niet heeft gesteld als opvolgende raadsman van verdachte en dat kennelijk, gelet daarop tegen deze zitting mr. M. Jeltes is opgeroepen. Zij is echter evenmin als mr. C. Stroobach ter terechtzitting aanwezig.
De advocaat-generaal vordert verstek en verzoekt met de behandeling van de zaak voort te gaan, buiten aanwezigheid van verdachte en van de verdediging.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte. Nu mr. M. Jeltes heeft gemeld niet als raadsvrouw te zullen optreden, acht het hof het niet aangewezen met haar contact op te nemen, om haar naar de reden van haar afwezigheid te vragen. Het hof gaat ervan uit dat zij mr. C. Stroobach heeft verwittigd van het heden dienen van de zaak te dezen ure, doch constateert dat hij zich niet heeft gesteld als opvolgend raadsman. Het hof beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
2.3 In de toelichting op het middel wordt gewezen op een aan de cassatieschriftuur gehecht afschrift van een brief van mr. Stroobach gedateerd 9 maart 2011, waarin zij verzoekt in deze zaak als raadsvrouw van de verdachte te worden aangemerkt.
2.4 Die brief is geadresseerd aan “Edelgrootachtbare heer, vrouwe, / Advocaat-generaal / Ressortsparket Amsterdam / Postbus 21 / 1000 AA Amsterdam”.
Het correspondentie-adres van het Gerechtshof Amsterdam is Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Uitgetreden leden van Het Hof weten dat dit al vele jaren zo is, maar dat blijkt ook uit de stukken van dit geding. Daaruit blijkt tevens dat het postadres Postbus 21, 1000 AA door het Ressortsparket te Amsterdam wordt gebruikt. De Hoge Raad zal op grond van de bij de appelschriftuur gevoegde brief van mr. Stroobach niet willen aannemen dat zij haar optreden als raadsvrouw op de wettelijk voorziene wijze aan de griffie van het Hof heeft bekend gemaakt, vgl. HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6939.
2.5 Een schriftelijke kennisgeving vormt evenwel geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend (HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161 en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303.
2.6 De aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding houden in dat mr. M. Jeltes, advocaat te Amsterdam, op 1 oktober 2010 namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het op 21 september 2010 uitgesproken vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Amsterdam.
Bij die stukken bevindt zich voorts een brief van mr. C. Stroobach, advocaat te Amsterdam, gedateerd 13 oktober 2010 met de vermelding “appelschriftuur ex artikel 410 jo Pro. Artikel 410a Sv”, waarin – samengevat – is medegedeeld dat de verdachte had verzocht hoger beroep in te stellen, en dat hij zich op het standpunt stelt dat het te zijnen laste bewezen verklaarde feit moet zijn begaan door iemand die zich van zijn personalia heeft bediend.
2.7 Het is mij bekend dat Postbus 21, 1000 AA Amsterdam, het postadres is waarnaar het Ressortsparket niet-betekende gerechtelijke mededelingen laat terugzenden, en ik zou me kunnen voorstellen dat bij de verdere behandeling van zulke tevergeefs aangeboden en teruggestuurde dagvaardingen en oproepingen vrij snel kan opvallen dat er een ‘stelbrief’ tussen zit, en die brief dan wordt doorgeleid naar de griffie. Dat is hier dus niet gebeurd.
Aan de andere kant verbaast mij dat een advocaat die in strafzaken wenst op te treden de mededeling daarvan niet aan de griffie stuurt, zoals de wet veronderstelt en – bij mijn weten – al sinds mensenheugenis de praktijk is. Het laatste klemt overigens temeer omdat in de rechtspraak van de Hoge Raad is benadrukt dat van een advocaat moet worden verwacht dat hij nagaat of zijn ‘stelbrief’ wel in goede orde is ontvangen (vgl. HR 25 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1937, NJ 2003/541) terwijl er ruim zeven maanden zijn verstreken tussen de dag waarop het Hof uit de mond van de vorige advocaat vernam dat mr. Stroobach in hoger beroep optrad en de zitting waarop de zaak vervolgens is behandeld.
2.8 De verdediging heeft steken laten vallen, maar voor mij geeft de doorslag dat het lid van het Hof dat de zaak op 11 november 2011 behandelde ermee bekend was
a)dat zijn ambtgenoot meer dan een half jaar tevoren had vernomen dat mr. Jeltes had plaatsgemaakt voor mr. Stroobach, en
b)mr. Stroobach reeds met haar als ‘appelschriftuur’ aangeduide brief blijk had gegeven van haar bemoeienis met de zaak. Art. 51 Sv Pro is een voor een juiste rechtsbedeling gewichtig voorschrift, naar mijn oordeel tè gewichtig om ervan uit te gaan dat de teruggetreden advocaat de (toch aan hem gezonden) aankondiging van de volgende terechtzitting wel aan zijn opvolger zal hebben doorgezonden.
Op die veronderstelling kon het Hof zijn beslissing naar mijn inzicht niet baseren, en overigens komt het me voor dat het Hof in de gegeven omstandigheden teveel betekenis heeft gehecht aan het ontbreken (in het dossier) van een stelbrief, die niet mag worden beschouwd als voorwaarde voor het kunnen optreden als raadsman. Temeer omdat de verdachte zelf niet op de terechtzitting van 11 november 2011 is verschenen, zodat het Hof ook uit diens mond niet kon horen hoe het met rechtsbijstand zat.
2.9 Naar mijn oordeel treft het middel in zoverre doel. Na vernietiging van de bestreden uitspraak zal de zaak moeten worden teruggewezen of naar een ander hof verwezen teneinde alsnog te laten uitzoeken of het inderdaad zo is dat iemand anders op 21 september 2010, na op het Bijlmerplein met een geopend blikje bier te zijn betrapt, zich voor deze verdachte heeft uitgegeven.
3. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
wnd A-G