ECLI:NL:PHR:2013:822

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2013
Publicatiedatum
24 september 2013
Zaaknummer
11/04408
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 417bis SrArt. 588 lid 1 sub b SvArt. 6 EVRMArt. 344 lid 1 sub 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest schuldheling wegens onvoldoende bewijs van schuld en schending redelijke termijn

Verdachte werd door het Hof Arnhem veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf wegens schuldheling van een motorblok en vier velgen met banden, die vermoedelijk door misdrijf waren verkregen. Het Hof baseerde zijn oordeel op de grote discrepantie tussen de marktwaarde van de goederen en de lage prijs die verdachte betaalde, en stelde dat verdachte daardoor had moeten vermoeden dat het om gestolen goederen ging.

Namens verdachte werden drie cassatiemiddelen ingediend, waaronder een klacht over schending van het aanwezigheidsrecht en een klacht over het ontbreken van bewijs voor schuld. De Hoge Raad oordeelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend en dat het aanwezigheidsrecht niet was geschonden. Wel stelde de Hoge Raad vast dat het Hof onvoldoende had onderzocht of verdachte op de hoogte was van de werkelijke waarde van de goederen, terwijl dit essentieel is om schuld aan te nemen.

De Hoge Raad benadrukte dat het motorblok door de eigenaar zelf was opgebouwd en dat de waarde daarvan niet eenvoudig te bepalen is, en dat de waardering door de eigenaar mogelijk te hoog was. Het Hof had niet vastgesteld dat verdachte als automonteur de werkelijke waarde kende. Hierdoor kon de vereiste grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid niet worden bewezen.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, maar dat dit niet tot een andere uitkomst leidde. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe behandeling en beslissing in hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.

Conclusie

Nr. 11/04408
Zitting: 18 juni 2013
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens ‘schuldheling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Voorts heeft het Hof de teruggave gelast van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. P. Noppen, advocaat te Arnhem, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelklaagt dat het Hof verdachtes aanwezigheidsrecht heeft geschonden door hem buiten zijn tegenwoordigheid de berechten.
4. Blijkens de akte van uitreiking is de dagvaarding om op 14 juli 2008 ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen op 18 april 2008 aan de griffier van de Rechtbank betekend omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Aan de akte van uitreiking is een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie gehecht van 18 april 2008, inhoudende dat de verdachte op die dag niet was gedetineerd alsmede dat de verdachte sinds 4 juli 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hieruit volgt dat de dagvaarding in hoger beroep overeenkomstig het bepaalde in art. 588 lid Pro 1, b, onder 30 Sv, derhalve rechtsgeldig is betekend.
5. Omdat door de verdachte appel is ingesteld moet rekening worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenste te maken. [1] Zoals in de toelichting op het middel wordt opgemerkt, heeft verdachte vanuit detentie appel aangetekend. Onder deze omstandigheden mag de zaak eerst in behandeling worden genomen nadat is onderzocht of die detentie voortduurde ten tijde van de behandeling van het beroep en deze op enigerlei wijze aan de verschijning van de verdachte ter terechtzitting in de weg stond. Omdat uit het GBA-overzicht van 18 april 2008 blijkt dat verdachte ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding niet meer gedetineerd was, mocht dit onderzoek achterwege blijven. [2]
6. Het middel faalt.
7. Het
tweede en het derde middelhouden in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de onderhavige goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.
8. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard:
“hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 10 mei 2006, te Winterswijk, een motorblok (merk Volkswagen, type G 60) en een aantal (4) velgen (Brock) met banden, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”
9. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], teamassistent van politie Team Aalten-Dinxperlo, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1], genummerd PL0644/06-266068, gedateerd 21 april 2006, dossierpagina 15-17, voor zover inhoudende als
verklaring van aangever, zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van inbraak. Ik huur een schuur die staat aan de [a-straat 1] te Aalten. In die schuur knap ik een auto op. Bij die auto heb ik een zeer speciaal motorblok. Dit motorblok heb ik helemaal zelf opgebouwd en is ook voorzien van chromen en gouden onderdelen. De dynamokoeler is bijvoorbeeld goud. Het motorblok hing in de schuur. Op 21 april 2006 werd ik gebeld door de verhuurder van de schuur dat er ingebroken was in de schuur. Ik ben naar de schuur gegaan en ik zag dat het motorblok was weggenomen. Verder zag ik dat de banden en de velgen van de auto ook weggenomen waren. De velgen waren van de maat 8x14 inch, merk brock type B 6 chroom. De banden en velgen heb ik destijds gekocht voor 1400 euro.
2. De door verbalisant [verbalisant 1] voornoemd, opgemaakte
goederenbijlage, genummerd PL0644/06-266068, gedateerd 21 april 2006, dossierpagina 18, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Benadeelde: [betrokkene 1]
Soort: Velg
Hoeveelheid: 4 stuks
Waarde: 350.00 euro per stuk
Totale waarde: 1400.00 euro
Soort: Motorblok
Type: G60
Merk: Volkswagen
Hoeveelheid: 1 stuk
Waarde: 5120 euro
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van
doorzoekingter inbeslagneming, genummerd 06/489, gedateerd 6 juni 2006, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Doorzoeking ter inbeslagneming gedaan op het adres [b-straat 1] te Winterswijk in het onderzoek tegen:
Naam: [achternaam verdachte]
Voornamen: [voornaam verdachte]
Geboren op: [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats]
Woonplaats: [woonplaats]
Adres: [b-straat 1]
Door de rechter-commissaris zijn een aantal goederen in beslag genomen, te weten:
- 4 autovelgen (glimmend) + banden
- een motorblok (Volkswagen)
4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een
lijst van inbeslaggenomenvoorwerpen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Naam verdachte: [verdachte]
Voorwerpen
1 1.00 STK Motorblok Kl:Beige
Volkswagen G60
Onderdelen zijn verchroomd/verguld
2 4.00 STK Velg Kl: Goud
Brock
Inclusief wielen
5. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], genummerd PL0646/06-266103, gedateerd 15 mei 2006, dossierpagina 26-27, voor zover inhoudende als
verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik heb een advertentie op internet staan dat ik Volkswagenonderdelen zocht. Ik kreeg een telefoontje van ene [betrokkene 2] uit Ewijk dat hij een motorblok te koop had. Hij zei dat het een G60 was. [betrokkene 2] zei ook gelijk dat hij vier velgen voor me had. Hij heeft mij foto's van het blok en de velgen gemaild. Hij wilde in totaal 2200 euro hebben. Ik heb verder telefonisch met hem onderhandeld en we spraken een bedrag van 1500 euro af. Het motorblok en de velgen werden bij mij thuis bezorgd. Ik ben een automonteur.
De bewijsmiddelen onder 1, 2 en 5 zijn als bijlage gevoegd bij het in de wettelijke vorm opgemaakt hoofdproces-verbaal, dossiernummer PL0644/06-205145, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3], agent van politie Team Winterswijk, gesloten op 4 juli 2006.
Bewijsoverweging
Het hof is van oordeel dat de discrepantie tussen de waarde van de goederen en de daarvoor door verdachte betaalde prijs dusdanig groot is, dat hij minst genomen had moeten vermoeden dat het door een misdrijf verkregen goederen betrof.”
10. Het Hof heeft overwogen dat de discrepantie tussen de waarde van de goederen en de daarvoor door de verdachte betaalde prijs dusdanig groot is dat hij minstgenomen had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Dit oordeel gaat echter alleen op wanneer de verdachte van de waarde van de goederen op de hoogte had moeten zijn. Daaromtrent stelt het Hof echter niets vast. Dat klemt temeer omdat het in het onderhavige geval ging om tweedehands goederen en – voor zoveel uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid – een motorblok dat door de eigenaar zelf is opgebouwd en waarvan de waarde daarom niet eenvoudig kan worden afgemeten aan de waarde van een soortgelijk tweedehands motorblok in het algemeen . Bovendien heeft het Hof de waarde van het motorblok alleen gebaseerd op de opgave van de eigenaar terwijl de ervaring leert dat een eigenaar de waarde van zijn goederen nogal eens te hoog inschat.
11. Nu kan het zijn dat verdachte als automonteur op de hoogte had moeten zijn van de werkelijke waarde van de door hem aangeschafte goederen, maar daaromtrent heeft het Hof niets vastgesteld.
12. Het voorgaande betekent dat de voor schuldheling vereiste grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. [3]
13. De middelen slagen.
14. Ambtshalve merk ik op dat thans reeds meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is derhalve overschreden. Dit kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.
15. Ambtshalve heb ik ook overigens geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, rov. 3.36.
2.HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, rov. 3.39.
3.HR 17 december 1985, LJN AC9146, NJ 1986, 428. Zie ook HR 24 november 2009, LJN BJ8631, NJ 2009, 608, HR 13 mei 2003, LJN AF5702, NJ 2003, 460 en HR 17 december 2002, LJN AF0625, NJ 2003, 177.