ECLI:NL:HR:2009:BJ8631
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt schuldheling ondanks relationele band en onderzoeksplicht verdachte
Verdachte werd veroordeeld voor schuldheling omdat zij in de periode van oktober 2004 tot juni 2005 meerdere malen geldbedragen van in totaal 7.000 euro heeft verworven en voorhanden had, waarvan zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van betrokkenen, bankafschriften en politieprocessen-verbaal. Verdachte had via een contactadvertentie contact met de penningmeester van een ijsbaanvereniging, die geld verduisterde van de vereniging en dit aan haar gaf. Hoewel verdachte wist dat het geld van een vereniging kwam, heeft zij geen concrete navraag gedaan naar de herkomst, ondanks de frequente en omvangrijke bedragen en dure cadeaus.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat verdachte door haar nalatigheid in de onderzoeksplicht met aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld en dat het oordeel niet onbegrijpelijk is, ook niet gezien de relatie tussen verdachte en de penningmeester. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Daarnaast merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, maar dat gezien de opgelegde straf en de mate van overschrijding geen rechtsgevolgen aan deze termijnoverschrijding worden verbonden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor schuldheling wegens het niet naleven van haar onderzoeksplicht.