Conclusie
Middel 1aberust op een evident verkeerde lezing van rov. 2.9.4 en 2.9.8. Het hof heeft in deze overwegingen geoordeeld dat het bedoelde ambtelijk advies van 21 april 1998 weliswaar door toedoen van de gemeente is achtergehouden, maar dat dit geen ‘stuk van beslissende aard’ is voor de vraag of de gemeente in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door kavel P niet aan [eisers], maar kavel N wel aan [betrokkene] te verkopen. Anders dan het middel veronderstelt, heeft het hof dus geen herroepingsgrond als bedoeld in art. 382, aanhef en sub c, Rv aanwezig geacht. Zie ook rov. 2.9.22 i.v.m. 2.9.1.
Middel 1bklaagt tevergeefs over innerlijke tegenstrijdigheid van rov. 2.9.8. In het kader van de beoordeling van het betoog dat [eisers] ten opzichte van [betrokkene] ongelijk is behandeld, heeft het hof in rov. 4.9.6 van zijn arrest in de hoofdzaak van 19 februari 2008 geconstateerd dat er geen aanwijzingen zijn dat in 1998 rekening diende te worden gehouden met een relevante groei van de onderneming van [betrokkene]. In het thans bestreden arrest heeft het hof in rov. 2.9.8 overwogen dat het op dit punt anders zou hebben geoordeeld indien het ten tijde van de hoofdzaak zou hebben beschikt over het ambtelijk advies van 21 april 1998, maar dat zijn eindoordeel niet anders zou hebben geluid:
Daar komt bij dat” tot uitdrukking heeft gebracht dat het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel reeds afstuit op de andere in rov. 4.9.3-4.9.5 van dat arrest genoemde verschillen tussen de situatie van [eisers] en die van [betrokkene].
Middel 2klaagt dat het hof voorbij is gegaan aan het betoog van [eisers] dat uit een tijdens de eerste herroepingsprocedure beschikbaar gekomen fax d.d. 16 februari 1998 blijkt dat niet [betrokkene] maar [eisers] zich het eerst als gegadigde voor perceel N heeft gemeld, dat de gemeente deze informatie in de hoofdzaak heeft achtergehouden en dat dit een en ander [eisers] reden bood om in het te heropenen geding wel degelijk een verwijt aan het adres van de gemeente te maken dat perceel N niet aan [eisers] (doch aan [betrokkene]) was verkocht.
hoofdzaakheeft het hof in rov. 2.1.5 - terecht - geconstateerd dat de inzet van die zaak niet werd gevormd door enig verwijt dat perceel N niet aan [eisers] was verkocht; zie rov. 4.9.2 van het arrest 19 februari 2008. Bij de weergave van de herroepingsgronden in rov. 2.6 heeft het hof onder b) vermeld dat de gemeente volgens [eisers] ten onrechte heeft voorgewend dat [betrokkene] eerder dan [eisers] belangstelling had voor perceel N. Vervolgens heeft het hof in rov. 2.8.1-2.8.4 geoordeeld dat deze (niet relevante) grond niet tot toewijzing van de vordering tot herroeping kan leiden.
Middel 3aklaagt over onbegrijpelijkheid van de vaststelling van het hof in rov. 2.2.1 dat met betrekking tot het tonen van een foto door [eisers] tijdens het pleidooi in de hoofdzaak op 13 december 2007 door de gemeente is gesteld dat zij daarop niet was voorbereid. Uit het proces-verbaal van dit pleidooi blijkt volgens de klacht dat de wethouder van de gemeente niet heeft gezegd dat hij niet voorbereid was op de getoonde foto.
Middel 3bberust op de lezing dat het hof aan het slot van rov. 2.2.1 een (causaal) verband heeft aangenomen tussen enerzijds de onjuiste uitlatingen die wethouder Verkampen tijdens het pleidooi van 13 december 2007 over het bouwen van ‘garagefaciliteiten’ heeft gedaan, en anderzijds het niet voorbereid zijn op de getoonde foto. Geklaagd wordt dat sprake is van een “kennelijke en onverklaarbare vergissing” van het hof.
middel 3ctegen het veronderstelde oordeel van het hof dat de verklaring van de wethouder (en een daardoor veroorzaakt bedrog) niet mag meewegen omdat deze het gevolg is van een onverhoeds getoonde foto.
middel 4aanvoert tegen het oordeel van het hof dat de tweede vordering tot herroeping (d.d. 10 oktober 2011) niet tijdig is ingesteld voor zover deze betrekking heeft op het ambtelijk advies van 28 september 1998, nu vóór de ontvangst van dit advies (bij brief van 11 juli 2011) de inhoud daarvan al bij [eisers] bekend kon zijn doordat het relevante deel geparafraseerd is opgenomen in het rapport BING dat op 12 mei 2011 openbaar was gemaakt (rov. 2.4.9). Dat het hof niet zou hebben getoetst aan de maatstaf van HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9877, NJ 2012, 629 ziet eraan voorbij dat uit rov. 2.4.9.6 i.v.m. rov. 2.4.7 blijkt dat het hof van deze maatstaf is uitgegaan. Dat een viertal in het ambtelijk advies vermelde feiten niet in de parafrase in het rapport BING zou zijn opgenomen - wat daar overigens van zij - stuit af op hetgeen het hof in rov. 2.4.9.4 over de inhoud van beide stukken heeft vastgesteld.
Middel 5klaagt dat rov. 2.4.5 – betreffende de ontvankelijkheid van de tweede herroepingsprocedure – steunt op een kennelijke vergissing van het hof. Volgens de klacht heeft [eisers] weliswaar in alinea 5 van de tweede herroepingsdagvaarding van 10 oktober 2011 gesteld dat de driemaandentermijn van art. 383 Rv Pro op 12 mei 2011 is aangevangen, maar had die passage onmiskenbaar alleen betrekking op de feiten uit het op 12 mei 2011 beschikbaar gekomen rapport BING welke bij conclusie van repliek van 25 mei 2011 in de eerste herroepingsprocedure (en derhalve tijdig) aan het hof zijn voorgelegd. De stelling betreft niet de herroepingsgronden die zijn gebaseerd op documenten die [eisers] bij brief van 11 juli 2011 van de gemeente heeft ontvangen en bij de tweede herroepingsdagvaarding van 10 oktober 2011 tijdig zijn aangevoerd, zo betoogt het middel.
Middel 6klaagt dat het hof in rov. 2.8.3 een verkeerde uitleg heeft gegeven aan de door het hof geciteerde opmerking van [eisers] dat hij “in strikte zin” geen nieuwe herroepingsgrond aanvoert waar het gaat om de stelling dat hij eerder dan [betrokkene] interesse voor perceel N heeft doen blijken.
Middel 7klaagt dat het hof in rov. 2.12 de artt. 387 en 389 Rv heeft geschonden althans verkeerd heeft toegepast.
Middel 8klaagt over schending van art. 237 Rv Pro op de grond dat het in de proceskostenveroordeling opgenomen bedrag aan griffierecht van € 5.353,- niet in overeenstemming is met een door [eisers] ontvangen beschikking van het hof van 10 juli 2012 (kenmerk 200.097.508) en evenmin met art. 3 van Pro de Wet griffierechten in burgerlijke zaken.