Conclusie
uit dienst 15 oktober 2007”.
2.Bespreking van het cassatieberoep
bepaaldetijd die de voortzetting vormt als bedoeld in art. 1639f lid 3 [7] Boek 7 BW (oud) van een arbeidsovereenkomst voor
onbepaaldetijd, niet van rechtswege eindigt op de einddatum, maar alleen kan worden beëindigd door voorafgaande opzegging. Aan art. 1639f lid 3 BW (oud) ligt de geachte ten grondslag dat bij voortzetting van een dienstbetrekking de werknemer de met het vereiste van opzegging samenhangende ontslagbescherming in ieder geval toekomt [8] . In het arrest van 26 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0649, NJ 1992, 654, rov. 3.3 (Thialf) is de Ragetlie-regel uitgebreid: van voortzetting van de dienstbetrekking in de zin van art. 1639f lid 3 BW (oud) is niet alleen sprake bij stilzwijgende of uitdrukkelijke verlenging door partijen van een bestaande dienstbetrekking, maar ook in geval partijen in aansluiting op een geëindigde arbeidsovereenkomst stilzwijgend of uitdrukkelijk een nieuwe arbeidsovereenkomst aangaan. Dit geldt volgens dit arrest ook indien de geëindigde arbeidsovereenkomst op regelmatige wijze is beëindigd door voorafgaande opzegging, met de door het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 vereiste toestemming [9] .
wederzijdse instemmingwerd beëindigd en vervolgens voortgezet door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd:
rechtsgeldige opzeggingdoor de werkgever wordt geëindigd of door de rechter wordt
ontbonden. In die gevallen is de beëindiging in de regel vooraf getoetst, hetzij door (thans) het UWV WERKbedrijf (hierna: UWV), hetzij door de rechter. Het is in die gevallen volgens de regering praktisch moeilijk denkbaar dat er sprake is van onder druk zetten van de werknemer door de werkgever. Bij die toetsing wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met de belangen van de werknemer. De werknemer heeft volgens de regering in die gevallen ook voldoende mogelijkheden om zich tegen een onredelijk ontslag te verweren [19] .
Kamerstukken II1998/99, 26 257, nr. 12 (Wetgevingsoverleg), p. 4-7; S.W. Kuip & C.G. Scholtens,
Flexibiliteit en zekerheid,Deventer: Kluwer 1999, p. 468 en 472). Ook is er in het traject van de codificatie van de Ragetlie-regel twijfel over uitgesproken of een opzegging tijdens de proeftijd een rechtsgeldige opzegging is. Tijdens de bespreking van dat onderwerp repte de minister van mogelijk ‘misbruik van de proeftijd’ (S.W. Kuip & C.G. Scholtens,
Flexibiliteit en zekerheid,Deventer: Kluwer 1999, p. 468-469). De duiding van de woorden ‘rechtsgeldige opzegging’ in de zin van art. 7:667 lid 4 BW Pro is derhalve nog (steeds) niet uitgekristalliseerd. Denkbaar is dat de vernietigbaarheid een rol speelt bij een beëindigingsovereenkomst tussen werkgever en werknemer, waarna een beroep wordt gedaan op een van de wilsgebreken. Maar het begrip vernietigbaarheid ligt moeilijk in de situatie van een eenzijdige rechtshandeling in de vorm van een opzegging door de werknemer waarbij deze achteraf zegt dat zijn verklaring niet correspondeerde met zijn wil. Een wilsdiscrepantie (zoals bij misverstand, maar ook scherts en simulatie) leidt tot een ander gevolg dan een wilsgebrek (bedrog, dwaling, misbruik van omstandigheden). Mijns inziens leidt een afwezigheid van de wil bij een eenzijdige opzegging tot een niet rechtsgeldige opzegging in de zin van art. 7:667 lid 4 BW Pro.”
andersomgeoordeeld (andere publicatie dan deze in de uitspraak geciteerde weergave uit bedoelde rov. 2.10 heb ik niet kunnen traceren):
nietvan toepassing was, omdat de werknemer de arbeidsovereenkomst met de werkgever had opgezegd (zonder nadere motivering).
Kamerstukken II1998-1999 26 257 nr 7, p. 5). En vernietigbaar was de opzegging door Kuijer zelf niet.
door de werknemer(die immers geen UWV-toestemming behoeft bij opzegging), nl: afwezigheid van de wil van de werknemer bij eenzijdige opzegging.
instemmingdoor de werknemer met een aanbod van de werkgever tot het sluiten van een beëindigingsovereenkomst is volgens vaste rechtspraak (ook) een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting vereist gericht op de beëindiging van de dienstbetrekking [39] . Niet voldoende is dat de werknemer de schijn heeft gewekt dat hij zich neerlegt bij de beëindiging [40] .
geensprake is geweest van een opzegging door hem, maar van een beëindiging met wederzijds goedvinden. [verweerster] juist dat [eiser] eenzijdig de arbeidsovereenkomst met haar heeft beëindigd.
conclusiedat sprake is van een van de uitzonderingen van art. 7:667 lid 4 BW Pro, zodat geen opzegging was vereist. Het hof heeft daarmee de
overwegingenvan de kantonrechter, niet tot de zijne gemaakt [46] .