Conclusie
1.Feiten en procesverloop
toev. A-G] heeft KBC verzocht een rechter-commissaris te benoemen ter verdeling van de veilingopbrengst van NLG 32.510.000,- (excl. BTW en rente); die benoeming heeft plaatsgevonden bij beschikking van 6 april 2001. Nadat de schuldeisers hun vorderingen hadden ingediend, zijn op 1 mei 2002 vijfentwintig voorlopige staten van verdeling opgemaakt.
toev. A-G [8] ] enige tijd gedreven voordat zij op een ponton werden geladen. De beladen ponton is vervolgens door een sleepboot van Shanghai naar Rotterdam versleept. Op 29 november 2000 is de sleepboot met de beladen ponton in de Nederlandse territoriale wateren gearriveerd. De schepen zouden worden afgemaakt in Nederland.
grieven 1 t/m 8zijn gericht tegen het oordeel dat de teboekstelling van de casco’s geldig is geschied en dat daarop het recht van hypotheek kon worden gevestigd.
Grief 11strekt onder meer tot betoog dat KBC geen beslag heeft gelegd voor haar hoger gerangschikte pandrechten, om die reden niet als ‘verhaalzoeker’ kan worden gekwalificeerd en in de staat van verdeling niet batig kan worden gerangschikt.
a.bij onderhandse akte van 31 mei 2000 (geregistreerd op 5 juni 2000) en
b.bij notariële akte van 29 november 2000. [17] Bij beschikking van 5 april 2001 heeft de president het verzoek gelet op de artikelen 551a en 552 jo 580 Rv toewijsbaar geoordeeld en een rechter-commissaris benoemd. [18]
middelonderdeel 2 [24] is gericht tegen rov. 2.2 t/m 2.9 van het arrest van 21 juni 2011, waarin het hof heeft geoordeeld, kort samengevat, dat de teboekstelling van de casco’s niet geldig is geschied, zodat KBC geen recht van hypotheek heeft verkregen. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen:
gewone betekenis
geen reden om van de gewone betekenis af te wijken
uitleg door andere partijen bij het verdrag
Het recht ten tijde van die implementatie
De implementatie in 1974
subonderdeel 2.Aluidt dat het hof met deze overwegingen heeft miskend dat zodra het casco van een binnenschip heeft gedreven, er sprake is van een ‘afgebouwd binnenschip’ in de zin van art. 8:784 lid 1 BW Pro dat zich leent voor teboekstelling als zodanig. Anders geformuleerd: het hof heeft miskend dat het onderscheidend criterium tussen een ‘in aanbouw zijnd binnenschip’ en een ‘afgebouwd binnenschip’ in de zin van art. 8:784 lid 1 BW Pro erin is gelegen of het drijft dan wel heeft gedreven, waarbij niet relevant is of de bouw feitelijk volledig is afgerond. [27] Subonderdeel 2.Bstrekt tot betoog dat de gegrondbevinding van deze klacht tevens de voortbouwende rov. 2.36 van het arrest van 21 juni 2011 en rov. 2.9 en 2.11 alsmede het dictum van het arrest van 13 maart 2012 aantast.
in aanbouwis. [33] De voorwaarden voor zodanige inschrijving kan een verdragsstaat zelf vaststellen; de formele vereisten van art. 8 van Pro het verdrag zijn niet van toepassing (art. 5 lid Pro 1). [34] Een schip dat in aanbouw is op het grondgebied van een verdragsstaat kan uitsluitend in het register van die verdragsstaat worden ingeschreven (art. 5 lid Pro 2). Eerdergenoemd art. 8 bevat Pro de formaliteiten die gelden voor inschrijving van een (niet meer in aanbouw zijnd) binnenschip. Daartoe behoort dat de inschrijving in het register als gegevens o.m. moet bevatten: het laadvermogen of de waterverplaatsing zoals vermeld in de meetbrief of, ingeval geen meetbrief is vereist, zoals kan worden vastgesteld aan de hand van de verstrekte gegevens en met behulp van de in het land van inschrijving gangbare methode voor de berekening van de tonnemaat op basis van die gegevens (lid 3 sub c).
“un bateau en cours de construction”, art. 5) en schip
(“un bateau”, vgl. art. 3), maar geeft daarvan geen omschrijving. Evenmin wordt omschreven wat dient te worden verstaan onder
“achèvement de leur construction”(vgl. art. 6 lid Pro 1). Het hof heeft daarom zijn toevlucht kunnen nemen tot de (subsidiaire) interpretatieregeling in de artikelen 31-33 van het Weens Verdrag van 1969 inzake het verdragenrecht (hierna: Verdragenverdrag of WVV). [35]
in aanbouw zijndbinnenschip: indien het in Nederland in aanbouw is;
afgebouwdbinnenschip: indien aan tenminste één der volgende voorwaarden is voldaan:
samenvaltmet die van ‘in aanbouw zijnd schip’ naar ‘afgebouwd schip’ in de zin van art. 8:784 lid 1 BW Pro. Volgens het subonderdeel is voor zowel art. 8:1 BW Pro als art. 8:784 BW Pro ‘drijven’ het onderscheidend criterium, ongeacht of sprake is van daadwerkelijke afronding van de bouw.
‘en cours de construction’een andere (beperktere) betekenis heeft willen geven. Integendeel, Boek 8 BW berust naar de bedoeling van de wetgever op het principe dat het Nederlandse recht een zo getrouw mogelijke kopie moet zijn van door Nederland geratificeerde verdragen, hetgeen meebrengt dat de verdragstekst in letterlijke vertaling wordt overgenomen. Daarmee wordt beoogd de rechter in de gelegenheid te stellen zich aan te sluiten bij de internationale interpretatie ervan, zulks met het oog op de gewenste – en door de rechter tot richtsnoer te nemen – internationale rechtseenvormigheid. [55] Een en ander verdraagt zich niet met een uitleg van de begrippen ‘in aanbouw zijnd binnenschip’ en ‘afgebouwd binnenschip’ in de implementatiebepaling van art. 8:784 BW Pro aan de hand van een bepaling van nationaal recht als art. 8:1 BW Pro.
ruimerebetekenis toe te kennen dan aan dat begrip in art. 8:1 lid 6 BW Pro:
afgebouwdschip niet valt te rijmen met wat daaronder naar algemeen spraakgebruik wordt verstaan. [58] Afbouw van casco’s tot binnenschepen pleegt in de praktijk o.m. te omvatten: het installeren van voortstuwingsmotoren, generatoren en overige machinekamerinrichting, het plaatsen van schroefassen en schroeven, het betimmeren en inrichten van roef en stuurhut alsmede het installeren van radar en navigatieapparatuur. Meer in het algemeen hebben zowel het Kadaster, de scheepsfinancieringspraktijk al het notariaat steeds als uitgangspunt genomen dat eerst sprake is van een afgebouwd schip indien het conform contract is afgebouwd, vaarklaar is en gereed is om te worden geëxploiteerd conform haar bestemming. [59]
middelonderdeel 1is gericht tegen onderstaand oordeel van het hof met betrekking tot het pandrecht van KBC (tussenarrest van 21 juni 2011):
klacht A), hetzij afstand van het pandrecht van 31 mei 2000 (
klacht B), hetzij de teboekstelling (
klacht C)); althans heeft het hof, indien het terecht heeft geoordeeld dat het eerste pandrecht is vervallen en de teboekstelling niet geldig was, in strijd met art. 25 Rv Pro miskend dat het ambtshalve moest vaststellen dat het hypotheekrecht op 24 juli 2000 van rechtswege in een pandrecht is geconverteerd (art. 3:42 BW Pro,
klacht D). Volgens
klacht Ebrengt gegrondbevinding van een of meer van de voorgaande klachten met zich dat de voortbouwende rov. 2.29-2.31, 2.36 en het dictum van het arrest van 21 juni 2011 alsmede rov. 2.1-2.7, 2.9, 2.11 en het dictum van het arrest van 13 maart 2012 evenmin in stand kunnen blijven.
4.Beoordeling van het principaal cassatieberoep (vervolg)
middelvalt uiteen in twee onderdelen met subonderdelen. Het is in al zijn onderdelen gericht tegen het oordeel van het hof dat KBC in haar hoedanigheid van pandhouder moet worden
aangemerktals
‘een beperkt gerechtigde wiens recht door de executie is vervallen’als bedoeld in art. 480 Rv Pro e.v., althans een
redelijke toepassingvan art. 480 Rv Pro e.v. ertoe noopt om KBC met een dergelijk beperkt gerechtigde
gelijk te stellen(het middel verwijst naar rov. 2.31 van het arrest van 21 juni 2011 en rov. 2.4, 2.5 en 2.7 van het arrest van 13 maart 2012) alsmede de daarop voortbouwende beslissingen (met name rov. 2.9, 3e gedachtestreepje, 2.11, 2.12 en het dictum in het arrest van 13 maart 2012).
aangemerktals een beperkt gerechtigde
‘wiens recht door de executie is vervallen’in de zin van art. 480 Rv Pro. Geklaagd wordt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting nu als zodanig slechts kunnen worden aangemerkt:
‘verval door de executie’in de zin van art. 480 Rv Pro is. [62]
gelijk te stellenmet een beperkt gerechtigde wiens recht door de executie is vervallen. Geklaagd wordt dat het hof aldus heeft miskend dat een hoger gerangschikte pandhouder, zoals in casu KBC, niet kan worden gelijkgesteld met een beperkt gerechtigde wiens recht door de executie is vervallen, ook al zou deze pandhouder zijn recht na de executie niet (meer) geldend kunnen maken. Daartoe wordt aangevoerd dat door deze gelijkstelling aan KBC in strijd met het wettelijk systeem een voorrangsrecht op de executie-opbrengst wordt toegekend.
subonderdeel 1.1veronderstelt, (uiteindelijk) van oordeel is dat KBC (primair) moet worden
aangemerktals een beperkt gerechtigde wiens recht door de executie is vervallen in de zin van art. 480 Rv Pro. [eiseres] heeft zich bij akte na tussenarrest (onder 16) op het standpunt gesteld dat verval van een recht op grond van
derdenbeschermingex art. 3:86 lid 2 BW Pro niet kwalificeert als verval door de
executie. Daarop heeft KBC zich, zoals door het hof in rov. 2.3 sub c in het arrest van 13 maart 2012 wordt gememoreerd, bij antwoordakte (onder III.2 e.v.) op het standpunt gesteld dat verval van een recht op de voet van art. 3:86 lid 2 BW Pro bij executoriale verkoop wel een ‘verval door executie’ oplevert. Het hof heeft de juistheid van die laatste stelling uitdrukkelijk in het midden gelaten, en wel omdat die naar ’s hofs oordeel voor de uitkomst van de zaak niet van belang is (rov. 2.4), waarmee het hof kennelijk doelt op de verwerping (in rov. 2.5) van de argumenten van [eiseres] (aangehaald in rov. 2.2 sub a) tegen het (voorshands subsidiaire) oordeel dat KBC met een beperkt gerechtigde in de zin van art. 480 Rv Pro moet worden gelijkgesteld. Is die lezing juist, dan faalt subonderdeel 1.1 bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 1.2doel treft. Het wettelijk systeem van voorrang (in casu art. 3:248 lid 3 BW Pro) brengt mee dat de hoger gerangschikte pandhouder bij beslagexecutie geen aanspraak heeft op de executie-opbrengst van de verpande zaak en derhalve buiten de kring van de in art. 480 Rv Pro aangewezen belanghebbenden valt. Art. 480 Rv Pro strekt ertoe de belanghebbenden, die tevoren hun verhaalsmogelijkheden moeten kunnen overzien [83] , in de executie-opbrengst te doen delen overeenkomstig hun wettelijk bepaalde rangorde. Met de op dit terrein vereiste rechtszekerheid verdraagt zich niet dat een beperkt gerechtigde die geen deel uitmaakt van de kring van belanghebbenden in de zin van art. 480 lid 1 Rv Pro, alsnog daarbinnen zou kunnen treden op grond van een op buiten de executie gelegen, bijkomende en in zekere zin ‘toevallige’ omstandigheden (verkrijging door een veilingkoper te goeder trouw) gebaseerde gelijkstelling met een beperkt gerechtigde van wie het recht door de executie is vervallen.
onderdeel 2onbesproken kunnen blijven.