ECLI:NL:PHR:2013:BW0961
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling omzetbelasting bij invoer en intracommunautaire verwerving van tandprothesen
Deze zaak betreft een btw-geschil over de fiscale behandeling van tandprothesen, waarbij belanghebbende als tussenhandelaar tandprothesen inkoopt bij buitenlandse tandtechnische laboratoria en levert aan tandartsen in Nederland en andere EU-lidstaten.
De kern van het geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van voorbelasting over vrijgestelde binnenlandse leveringen in 2006, en of zij omzetbelasting verschuldigd is over de invoer en intracommunautaire verwerving van tandprothesen in 2008. De Wet op de omzetbelasting 1968 was tot 2008 niet volledig richtlijnconform, wat aanleiding gaf tot discussie over de toepassing van vrijstellingen en aftrekrechten.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende over 2006 ongegrond en dat over 2008 gegrond, waarbij zij oordeelde dat geen recht op aftrek bestaat bij vrijgestelde leveringen en dat invoer en intracommunautaire verwerving vrijgesteld kunnen zijn als de binnenlandse levering in elk geval vrijgesteld is. Beide partijen stelden cassatieberoep in.
De Advocaat-Generaal concludeert dat het beroep van belanghebbende faalt voor het eerste kwartaal 2006 en dat het beroep van de Staatssecretaris faalt voor zover het gebaseerd is op het impliciet toepassen van artikel 131 van Pro de btw-richtlijn. Hij adviseert prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU voor de uitleg van de vrijstellingsbepalingen bij invoer en intracommunautaire verwerving van tandprothesen. Tevens wordt besproken dat een asymmetrisch beroep op de richtlijn niet mogelijk is: aftrek van voorbelasting en heffing van btw moeten hand in hand gaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen in cassatie ongegrond en legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de EU over de uitleg van vrijstellingen bij invoer en intracommunautaire verwerving van tandprothesen.