ECLI:NL:PHR:2013:BW5410
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over recht op aftrek omzetbelasting bij betrokkenheid bij btw-fraude en factuurvereisten
Deze zaak betreft een cassatieprocedure over de weigering van de Inspecteur van de Belastingdienst om de aftrek van voorbelasting omzetbelasting toe te staan en het toepassen van het nultarief bij leveringen aan het Verenigd Koninkrijk. De Inspecteur stelde dat belanghebbende betrokken was bij btw-fraude en dat de facturen niet voldeden aan de wettelijke vereisten, met name inzake de vermelding van naam en adres van de leverancier.
Het Hof stelde vast dat de facturen van bepaalde leveranciers niet aan de vereisten voldeden, onder meer omdat de vermelde adressen niet overeenkwamen met de feitelijke vestigingsplaatsen. Daarnaast oordeelde het Hof dat belanghebbende willens en wetens betrokken was bij de orchestratie van btw-fraude, mede gelet op inconsistenties in facturen en orderbevestigingen, en het feit dat betalingen vaak door andere partijen dan de gefactureerde afnemers werden verricht.
De Hoge Raad bevestigt dat het recht op aftrek van voorbelasting kan worden geweigerd indien aan de hand van objectieve elementen wordt vastgesteld dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij deelnam aan een transactie die onderdeel was van btw-fraude. Ook wordt verduidelijkt dat aan de vereiste van vermelding van naam en adres op de factuur is voldaan indien de leverancier met die gegevens kan worden geïdentificeerd en getraceerd. Verder wordt het belang van zorgvuldigheid benadrukt bij toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen, waarbij de bewijslast bij de leverancier ligt.
Het arrest bevat uitgebreide overwegingen over de procesorde, bewijsaanbod, en de reikwijdte van de verplichting van de Inspecteur om op grond van de Awb alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Het Hof heeft terecht het beroep op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 24 april 1991 niet behandeld, hetgeen door de Hoge Raad wordt bekritiseerd. De uitspraak bevestigt de noodzaak dat de belastingplichtige alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te voorkomen dat hij bij btw-fraude betrokken raakt.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de Rechtbank en bekrachtigt het oordeel van het Hof dat het verzoek om teruggaaf omzetbelasting terecht is afgewezen. Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard, evenals het incidenteel hoger beroep. De zaak benadrukt het belang van correcte facturering, transparantie en zorgvuldigheid in fiscale procedures.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het verzoek om teruggaaf omzetbelasting wordt afgewezen wegens betrokkenheid bij btw-fraude en niet voldoen aan factuurvereisten.