ECLI:NL:HR:2013:BW5410
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- E.N. Punt
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over recht op aftrek omzetbelasting en btw-fraude bij intracommunautaire leveringen
Belanghebbende, handelend in mobiele telefoons, verzocht teruggaaf van omzetbelasting over juli 2003. De Inspecteur weigerde dit op grond van vermoedens van btw-fraude en onjuiste factuurgegevens. De Rechtbank gaf belanghebbende gelijk, maar het Hof vernietigde die uitspraak en wees de teruggaaf af, stellende dat belanghebbende willens en wetens betrokken was bij btw-fraude en niet aan factuurvereisten voldeed.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onduidelijk en onvoldoende gemotiveerd had geoordeeld over de identificatie van de leverancier op de facturen en de betrokkenheid van belanghebbende bij fraude. Tevens stelde de Hoge Raad dat het Hof buiten de rechtsstrijd was getreden door te oordelen over fraude zonder dat de Inspecteur dit voor het Hof had gesteld.
De Hoge Raad stelde vast dat het recht op aftrek van btw volgens Europese richtlijnen bestaat mits voldaan is aan factuurvereisten en dat het recht op aftrek niet automatisch kan worden geweigerd zonder wettelijke grondslag, ook al is er sprake van fraude. Daarom stelde de Hoge Raad een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over de vraag of nationale autoriteiten het recht op aftrek moeten weigeren bij objectieve gegevens van fraude, ook als nationale wetgeving dit niet regelt.
De Hoge Raad schortte de procedure op en wacht het oordeel van het Hof van Justitie af. Hiermee benadrukt de Hoge Raad de noodzaak van een zorgvuldige en wettelijke toetsing van het recht op aftrek en de grenzen van nationale antifraudebepalingen in het licht van EU-recht.
Uitkomst: Hoge Raad schorst procedure en verwijst prejudiciële vraag over recht op aftrek bij btw-fraude aan Hof van Justitie.