ECLI:NL:PHR:2013:BX4018
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over afwaardering vordering aandeelhouder op eigen BV en toepassing belastingverdrag Nederland-België
Belanghebbende, woonachtig in België en enig aandeelhouder van Beheer BV, had aanzienlijke leningen verstrekt aan zijn vennootschap zonder schriftelijke overeenkomsten en zonder zekerheden. Hij bracht een afwaardering van deze vordering in mindering op zijn Nederlandse belastbare inkomen uit overige werkzaamheden. De Inspecteur accepteerde dit niet en stelde de aanslag vast op nihil.
De Rechtbank en het Hof bevestigden dat de afwaardering niet in Nederland aftrekbaar is omdat het belastingverdrag Nederland-België (1970) het heffingsrecht toewijst aan het woonland België, ongeacht de nationale kwalificatie als resultaat uit overige werkzaamheden. Het Hof oordeelde verder dat sprake was van een onzakelijke lening, waarbij het debiteurenrisico door belanghebbende werd aanvaard om het belang van zijn BV te dienen.
In cassatie klaagde belanghebbende dat het Hof onvoldoende aandacht had besteed aan verdragsrechtelijke aspecten en de Schumacker-doctrine. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het heffingsrecht voor het afwaarderingsverlies bij België ligt. Ook het EU-recht biedt geen andere uitkomst. De Hoge Raad benadrukte dat de zakelijkheid van de lening moet worden beoordeeld naar het moment van aangaan en dat het Hof ten onrechte feiten uit latere jaren had betrokken.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard, waarmee de eerdere uitspraken standhouden.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de afwaardering van de lening niet aftrekbaar is in Nederland vanwege het belastingverdrag met België.