ECLI:NL:PHR:2013:BX7926
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Partiële eindafrekening bij zetelverplaatsing van vennootschap naar Malta
Deze zaak betreft de fiscale behandeling van een vennootschap die haar statutaire zetel in 2000 verplaatste van Nederland naar Malta, terwijl zij een bedrijfspand in Nederland bleef verhuren en een effectenportefeuille met stille reserves bezat. De belanghebbende stelde dat zij niet hoefde af te rekenen over de stille reserves omdat zij niet volledig ophield in Nederland belastbare winst te genieten. De Inspecteur stelde dat op grond van artikel 16 Wet Pro IB 1964 partiële eindafrekening wel mogelijk is.
De Rechtbank Haarlem en het Hof Amsterdam verwierpen het beroep van belanghebbende en bevestigden dat partiële eindafrekening gerechtvaardigd is wanneer Nederland zijn heffingsrecht over een deel van de onderneming verliest door de zetelverplaatsing. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de teleologische interpretatie van artikel 16 Wet Pro IB 1964, gericht op het behoud van het totaalwinstbeginsel, prevaleert boven een strikt grammaticale uitleg van het begrip 'ophouden'.
De Hoge Raad stelt dat ondanks de vestigingsplaatsfictie in het nationale recht, het toepasselijke belastingverdrag met Malta bepaalt dat Nederland slechts belasting mag heffen over de in Nederland aanwezige onroerende zaken, waardoor Nederland zijn heffingsrecht over de effectenportefeuille verliest. Daarom is partiële eindafrekening noodzakelijk om te voorkomen dat stille reserves buiten de belastingheffing blijven. De zaak illustreert de complexiteit van fiscale emigratie en de toepassing van verdragsrecht in combinatie met nationale wetgeving.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat partiële eindafrekening mogelijk is bij zetelverplaatsing naar Malta, ook als een deel van de onderneming in Nederland blijft.