Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
welhersteld wordt (alsnog passivering), is er geen balansfout meer eind 1998, die dan dus ook niet in 2000 kan vrijvallen. Als de 1997-fout
niethersteld wordt (geen passivering), is er evenmin een passiefpost om in 1998 of 2000 te laten vrijvallen. Ook uit HR BNB 2005/128 volgt dat met de foutenleer niet bewerkstelligd kan worden dat een na vrijval niet meer bestaande en ten onrechte niet belaste reserve alsnog in een later jaar wordt belast.
Nederlandsev.i.-winst). De RAER houdt in casu géén verband met het Nederlandse onroerend goed(resultaat). HR BNB 2013/114 houdt mijns inziens niet in dat de wettelijke eindafrekeningsbepalingen overbodig zijn ter zake van latenties die vóór emigratie zijn ontstaan binnen de
nietin Nederland achterblijvende onderneming. De vestigingsplaatsfictie ex art. 2(4) Wet Vpb maakt dit niet anders, nu de vestigingsplaatsbepaling en de winsttoerekening uit de BRK vóórgaan op die bepaling.
émigréeen vaste inrichting heeft achtergelaten, als dat voor- of nadeel maar causaal verbonden is met de vroegere ondernemingsuitoefening in het vertrekland (door of binnen die vroegere ondernemingsuitoefening is ontstaan). Ik geef u in overweging om, als u er aan toe komt, een duidelijke keuze te maken voor of tegen causale toerekening van resultaten aan bronnen onder de BRK en belastingverdragen.
2.De feiten
stand alone) bedraagt fl. 57.881 (€ 26.265) (zie 2.7). De belanghebbende heeft dit aansluitingsverschil niet in de aangiften 1997 en volgende jaren opgevoerd.
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
junctoart. 8 Wet Pro op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)
junctode foutenleer en/of schending van het motiveringsvereiste doordat het Hof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn, heeft geoordeeld dat de vrijval van de RAER geheel in 2000 valt, hoewel zij in 1998 in de heffing had moeten worden betrokken. Ik vat haar toelichting als volgt samen: het Hof miskent (r.o. 4.3.3) dat belanghebbendes belastingplicht zich in 2000 beperkt tot de door haar in Nederland aangehouden onroerende zaken. Alleen heffingsrecht ter zake van deze onroerende zaken wordt door de BRK aan Nederland toegewezen. In 2000 is er geen operationele Nederlandse onderneming meer, die immers in 1998 is gestaakt. De RAER, vóór 1998 gevormd voor cascoschade aan de auto’s in die voormalige operationele onderneming, kan niet aan de in 2000 in Nederland nog gehouden onroerende zaken worden toegerekend. Ofwel (i) bij de verplaatsing van de feitelijke leiding in 1998, ofwel (ii) bij de staking in 1998 van de operationele Nederlandse onderneming waaraan de RAER verbonden was, had art. 16 Wet Pro IB 1964 moeten worden toegepast.
5.Wet en regelgeving
6.Jurisprudentie
7.Literatuur
bij de vaststelling van het eindvermogen van het laatstvastgestelde jaar bepaaldelijk een fout is gemaakt. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat deze regels - die (...) zijn aangeduid als de foutenleer - niet van toepassing zijn, indien de fout niet doorwerkt in dat eindvermogen. Het conflict tussen de twee genoemde beginselen doet zich immers in dat geval niet voor. Dat een fout niet doorwerkt in het eindvermogen van het laatstvastgestelde jaar kan het gevolg zijn van de omstandigheid dat:
8.Beschouwing en beoordeling van de middelen
activa(de auto’s) reeds uit het ondernemingsvermogen van de belanghebbende zijn verdwenen. Zijn redenering is dat het
passivum(de RAER) wél tot belanghebbendes ondernemingsvermogen is blijven behoren, nu zij in geen van de jaren vóór 2000 de aan haar toe te rekenen RAER ten gunste van haar fiscale winst heeft doen vrijvallen. Ik merk hier reeds op dat de belanghebbende dat ook niet
kondoen, omdat er haars inziens immers helemaal geen RAER op haar balans stond (daarover is tot in 2008 geprocedeerd). Dat de belanghebbende niet reeds vóór 1998 een RAER gepassiveerd heeft, is volgens het Hof dus kennelijk juist de fout die hersteld moet worden. Die fout herstelt het Hof door de RAER alsnog op de beginbalans 2000 te passiveren, waarna zij meteen vrijvalt, zulks omdat dat al in 1998 had moeten gebeuren. Die vrijval acht het Hof vervolgens, ondanks belanghebbendes emigratie in 1998, belastbaar in Nederland omdat zij naar nationaal recht ex art. 2(4) Wet Vpb binnenlands belastingplichtig is gebleven en omdat het om een voordeel uit een (vroeger) in Nederland gedreven onderneming gaat, dat volgens het Hof door de BRK aan Nederland wordt toegewezen.
moetenzijn, maar
alshet er in 1998 (alsnog) was geweest, dan
washet ook in 1998 vrijgevallen en was er dus niets geweest om (nog eens) in 2000 te passiveren en meteen te laten vrijvallen, zoals het Hof heeft gedaan. Anders gezegd: Als de 1997-fout
welhersteld wordt (alsnog passivering), is er geen balansfout meer eind 1998, die dan dus ook niet in 2000 kan vrijvallen. Als de 1997-fout
niethersteld wordt (geen passivering), is er evenmin een passiefpost om in 1998 of 2000 te laten vrijvallen. Uit de in 6.4 geciteerde zaak HR BNB 2005/128 volgt dat als bij ondernemingsstaking door een fout een oudedagsreserve is gehandhaafd, het de inspecteur weliswaar vrijstaat uit te gaan van die ten onrechte gehandhaafde reserve en met toepassing van de foutenleer die reserve alsnog in de heffing te betrekken, maar dat het hem niet vrijstaat om een na vrijval niet meer bestaande en ten onrechte niet belaste reserve alsnog in een later jaar te belasten. In belanghebbendes geval is evenmin sprake van een ten onrechte gehandhaafde reserve. Ook HR BNB 1997/144 (zie 6.2) duidt er mijns inziens op dat in casu de foutenleer niet kan worden toegepast omdat het gaat om een reeds ‘afgewikkelde transactie.’ In dezelfde richting wijst mijns inziens HR BNB 1991/282, [30] waarin u de foutenleer niet van toepassing achtte op voor een pand genoten WIR-premies voor jaren waarin dat pand - achteraf bezien - nog geen ondernemingsvermogen was terwijl het in het oudste nog openstaande jaar alweer privé-vermogen was geworden. [31]
force attractive [33] niet aan de Nederlandse v.i. (de onroerende zaken) kan worden toegerekend, moest de RAER, uitgaande van HR BNB 2013/94, uiterlijk in 1998 ex art. 16 Wet Pro IB 1964 juncto art. 8(1) Wet Vpb in de heffing worden betrokken omdat ná dat jaar ter zake van een RAER geen heffingsaanknopingspunt in Nederland meer voorhanden is als gevolg van toewijzing van alle niet-v.i.-winst aan de Antillen.
Diev.i. werd pas in een later jaar gestaakt, nl. bij het verval van het vervangingsvoornemen en daarmee de vrijval van de HIR. Men kan ook zeggen dat u de HIR in die zaak in wezen zag als verkoopwinst op Nederlands vastgoed, die aan Nederland ter heffing was toegewezen. U kwam in HR BNB 2013/114 dan ook in het geheel niet toe aan de - door het Hof Den Haag in die zaak wel toegepaste - foutenleer.
nietin Nederland achterblijvende onderneming. Dat arrest zag alleen op reeds - binnen een v.i. in Nederland - gerealiseerde en hoe dan ook aan Nederland toegewezen verkoopwinst die als gevolg van reservering binnen die Nederlandse v.i. tijdelijk onbelast was gelaten. De uitleg die de Staatssecretaris thans aan dat arrest geeft, impliceert dat zijns inziens niet alleen een bij belastingverdrag aan Nederland toegewezen HIR bij vrijval belast is ongeacht het al dan niet nog bestaan van de onroerende v.i. in Nederland, maar dat ook een - niet eens meer bestaande, want in 1998 al vrijgevallen - RAER
op zichzelfal een door belastingverdragen en de BRK aan Nederland toegewezen (onpakbare) v.i. oplevert. Volgens de Staatssecretaris doet de niet-toerekenbaarheid van de RAER(-vrijval) aan belanghebbendes onroerend goed in Nederland immers niet ter zake. Het enkele feit dat er
vroegereen onderneming in Nederland was waarbinnen die RAER eerst, in 1997, gepassiveerd had moeten worden en vervolgens, in 1998, had moeten vrijvallen, is zijns inziens al voldoende voor Nederlandse heffingsjurisdictie onder de BRK. Is dat standpunt juist, dan lijkt de partiële eindafrekening over de meerwaarden in de mee-emigrerende effecten in HR BNB 2013/94 in strijd met de wet. In de opvatting van de Staatssecretaris houdt een (volledig) geëmigreerde ondernemer immers
nietop binnen Nederland belastbare winst te genieten ter zake van latenties die vóór emigratie in zijn onderneming ontstaan zijn, die niet toerekenbaar zijn aan enige in Nederland achterblijvend v.i.-vermogen, en die de fiscus verzuimd heeft te belasten ten tijde van die emigratie.
business profits) spreekt slechts van ‘profits of an enterprise
ofa Contracting State’ (curs. PJW) en van ‘attributable to’ een vaste inrichting in de andere Staat; art. 7(2) schrijft
seperate accountingen
arm’s lengthwinstbepaling voor. De tekst is dus niet concludent, nu deze niets zegt over de vraag of het uitmaakt dat een causaal toerekenbaar resultaat temporeel pas in een opvolgende jurisdictietoewijzingsperiode wordt gerealiseerd. In het OESO-commentaar heb ik evenmin duidelijke aanwijzingen voor of tegen temporele compartimentering van meerwaarden bij opvolgend inwonerschap van rechtspersonen kunnen vinden. Het commentaar laat de oplossing van
timingverschillen in de heffing over ondernemingswinsten uitdrukkelijk aan de verdragspartners over. [41] Onder meer Schuch [42] en De Smit [43] menen dat, kort gezegd en voor zoveel nodig naar nationaal recht vertaald, belastingverdragen volgens het OESO-Model alleen iets over de toewijzing van de totale winst zeggen, maar weinig of niets over de jaartoerekening (de heffingstiming) van die totale winst, en dat tekst noch commentaar zich verzetten tegen toepassing van het veroorzakingsbeginsel (als tegengesteld aan het realisatiebeginsel). Ook Vogel [44] gaat ervan uit dat voor de toepassing van de toewijzingsregels van een OESO-gemodelleerd belastingverdrag beslissend is wanneer een resultaat
accruedis, niet wanneer het
receivedis.
National Grid Indusvan het Hof van Justitie van de EU, [45] het daarop gebaseerde Besluit van de Staatssecretaris [46] en het inmiddels daarop gevolgde wetsvoorstel tot invoering van een keuze voor binnen de EU/EER emigrerende ondernemers tussen acuut afrekenen, wachten op realisering (met boekhouding, zekerheidstelling en renteberekening) en betaling in termijnen, [47] lijkt het mij op basis van de boven weergegeven wetsgeschiedenissen niet aannemelijk dat de hier geschetste compartimenteringsbenadering de benadering is die de wetgever voor ogen stond, met name in 2000 niet. De geschetste compartimentering van ongerealiseerde meerwaarden en belastingheffing pas bij realisatie zou wel goed zou passen in de EU-rechtelijke eisen van nondiscriminatie en nonbelemmering bij grensoverschrijding binnen de interne markt. Zij is door het Duitse
Bundesfinanzhofdan ook al eens toegepast op een naar België emigrerende uitvinder: dat Hof zag ondanks volledige emigratie van de uitvinder geen
Betriebsaufgabe, maar voortgezette Duitse belastingplicht ter zake van de bij diens emigratie reeds bestaande ongerealiseerde (meer)waarden; hij oordeelde bovendien dat het toepasselijke belastingverdrag niet in de weg stond aan een dergelijke voortgezette belastingplicht zonder achterblijvende fysieke vaste inrichting. [48] Het komt mij echter voor dat de Nederlandse wetgever deze weg niet is ingeslagen en dat compartimentering nogal wat administratief-comptabele regelbegeleiding behoeft voor vele uiteenlopende feitelijk mogelijke casussen en daarom voor de rechter een overstrekking van zijn rechtsvormende taak en mogelijkheden zou kunnen zijn. (…).