ECLI:NL:PHR:2013:BX8543
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van boetegrondslag bij navordering en opzet bij onjuiste aangifte inkomstenbelasting
Belanghebbende diende een eerste aangifte inkomstenbelasting 2003 in zonder winst uit onderneming en zonder zelfstandigenaftrek te claimen. Na een boekenonderzoek diende hij een herziene aangifte in waarin alsnog winst en zelfstandigenaftrek werden opgegeven. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op met een vergrijpboete wegens opzet. Het Hof oordeelde dat opzet bestond, maar verlaagde de boetegrondslag met de zelfstandigenaftrek uit de herziene aangifte.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze vermindering van de boetegrondslag. De Hoge Raad overwoog dat de boetegrondslag bij navordering wordt bepaald door het bedrag van de primitieve aanslag dat te laag werd vastgesteld door opzet, en dat een herziene aangifte na de primitieve aanslag niet kan leiden tot verlaging van de boetegrondslag.
De Hoge Raad verwees de zaak terug voor hernieuwd onderzoek naar de aanwezigheid van opzet op het moment van de eerste aangifte. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat de boetegrondslag het volledige bedrag van de navorderingsaanslag moet omvatten en dat de vermindering door het Hof onjuist was.
Deze uitspraak verduidelijkt dat bij navordering de boetegrondslag niet mag worden beperkt door latere correcties en benadrukt het belang van het tijdstip van opzet in fiscale boetezaken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwd onderzoek naar opzet bij de eerste aangifte.