ECLI:NL:PHR:2013:BY8651
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Zorgplicht bank jegens borg en echtgenote bij borgstelling en hypotheek
Deze zaak betreft een geschil tussen een bank en een echtpaar dat zich borg heeft gesteld voor leningen aan door de echtgenoot bestuurde vennootschappen. De bank had meerdere hypotheken op hun woning en een borgstelling van de echtgenoot. Na faillissement en verkoop van de woning ontstond discussie over de verdeling van de opbrengst en de zorgplicht van de bank jegens de borg en diens echtgenote.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de bank zich mocht verhalen op het privévermogen van de echtgenote en dat zij geen bijzondere zorgplicht had om de echtgenote als borg te informeren over de risico's, ondanks het vereiste van toestemming ex art. 1:88 BW Pro. Het hof vond dat de bank zich niet hoefde te verantwoorden tegenover de echtgenote vanwege een andere contractuele relatie en dat de bank geen informatieplicht had jegens haar.
De Hoge Raad stelt dat het hof onjuiste rechtsopvattingen heeft gehanteerd met betrekking tot de zorgplicht van de bank tegenover de echtgenote die toestemming gaf voor de borgstelling. De Raad benadrukt dat de bank mogelijk wel een bijzondere zorgplicht heeft tegenover de echtgenote als cliënt en dat de zaak daarom moet worden terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van deze zorgplicht en de gevolgen daarvan voor de geldigheid van de borgstelling en hypotheek. De Hoge Raad bevestigt dat de bank tegenover de borg zelf geen zorgplicht heeft geschonden.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de zorgplicht van de bank jegens de echtgenote en de gevolgen daarvan.